1873

Uit: Zijper Historie Bladen 14.1, p.20-22 (1996).
Uitgave van: Historische Vereniging “De Zijpe”
Auteur: L.F. van Loo

Bevolking

Het inwonertal van de gemeente Zijpe, sinds 1870 zonder (de) Anna Paulowna(polder), nam toe van 4859 tot 4930, uitsluitend door een flink geboortenoverschot (geboren: 295, sterfte: 104). In de Zijpe vestigden zich 399 nieuwkomers, maar 429 mensen vertrokken naar elders. In Petten hielden `immigranten’ en verlaters elkaar exact in evenwicht, maar door een geboortenoverschot kwam het aantal inwoners toch in de plus: van 441 naar 454.

Gemeentebestuur

Van de vijftien kiesgerechtigde Pettenaren kwamen er, zowel bij de eerste – als bij de herstemming, twaalf (80%) op om drie gemeenteraadsleden te herkiezen. In Zijpe leefde de gemeentepolitiek kennelijk wat minder wamt hier was de opkomst bij de eerste stemming nauwelijks 40%, bij de herstemming 57%. Ook hier werden drie raadsleden gekozen, waarvan een nieuweling. Op 23 oktober nam de Zijper gemeenteraad een verordening aan, omvattende “bepalingen omtrent het binnentreden van de woningen der ingezetenen huns ondanks ter zake van hondsdolheid”. De Pettemer gemeenteraad besloot onder meer tot het doen verbreden van “de sloten om de algemene begraafplaats”. In de gemeente Petten ging in 1873 ongeveer f. 4.400.- om, Zijpe deed het met ruim f. 21.000 (begroting); in 1872 was het batig saldo van deze poldergemeente f. 2.670,90.

Openbare Veiligheid

In Petten stierf een inwoner aan de typhus, in Zijpe waren dat er drie. Tegen de pokken werd in de eerste gemeente dit jaar niemand gevaccineerd, in Zijpe 229. Te Petten brandde een landbouwerswoning en een door twee gezinnen bewoond arbeidersonderkomen geheel af. De oorzaak was: “vonken uit den schoorsteen waardoor het rieten dak aan brand is geraakt” (zal de landbouwerswoning betreffen). Geblust werd met een brandweerspuit uit de Zijpe en middels “het aandragen van water”. De gebouwen en de inboedel van de landbouwerswoning waren verzekerd. In Zijpe brandde een arbeiderswoning af als gevolg van “het omvallen van een brandende petroleumlamp. Het huis stond afgezonderd en er is niet geblust”.

Strandingen

  • 11 Augustus:

    “De Engelsche brik ‘Gratitude Withby’. Een matroos is gered. De tien overige personen zijn omgekomen. Door de storm die vlak op de steenen zeewering woei, was het niet doenlijk om met de (redding-)boot uit te gaan. Ook het vuurpijltoestel kon geen dienst doen, daar het schip, dat zeer oud, diep geladen en zwaar lek was, bijna onmiddellijk toen het strandde uiteen sloeg”.

  • 1 December:

    “De Engelsche schroefstoomboot ‘James Kenby’. Het schip was verlaten en zonder lading. Het strandde vóór de Hondsbossche zeewering. Met goed gevolg werd daarover eene lijn geschoten, maar weldra bleek dat de boot door hare bemanning verlaten was”.

Onderwijs

“Het gemeentebestuur van Petten, in welke gemeente, ten gevolge van de werken aan de Hondsbossche zeewering (zie eerdere afleveringen van Zijper Jaren), een aantal huisgezinnen zich tijdelijk had gevestigd, had, daar de school overbevolkt was, en bovendien aan al de aanvragen tot plaatsing van kinderen uit die gezinnen niet voldaan had kunnen worden, als tijdelijke maatregel besloten in het lokaal der gemeenteschool eene avondschool te openen en het tractement van den hoofdonderwijzer die met het onderwijs op die (avond-)school zou belast worden, van f. 700 te brengen op f. 800.”

De gemeente wilde daarvoor f. 100 extra subsidie van de provincie. Die liet de schoolopziener de zaak onderzoeken en wat bleek? De school had volgens hem in principe voldoende ruimte voor 70 à 80 kinderen (in één klas). Toen hij de school in oktober 1872 bezocht bleek:

“dat op de schoollijst 96 kinderen waren ingeschreven, waarvan 76 behoorden tot huisgezinnen die hunne vaste woonplaats hadden in de gemeente Petten, 8 tot gezinnen die er tijdelijk vertoefden en 12 tot huisgezinnen gevestigd in den Hazepolder (gemeente Zijpe)”.

Die kinderen uit de Zijpe (Hazepolder) moesten maar elders naar school of in Petten blijven, maar dan moest daarvoor betaald gaan worden. Zijpe wilde ze wel op de school te Burgervlotbrug hebben, waar voldoende ruimte was en niet te ver. Gedeputeerde Staten wilden dat kinderen jonger dan zes jaar (vijfjarigen) in het vervolg niet meer op de school te Petten zouden worden toegelaten. Maar de gemeente Petten wilde dat nu juist handhaven omdat de ouders hun kinderen gewoonlijk al op tienjarige leeftijd van school haalden om te gaan werken en dan hadden ze toch vijf jaar lagere school gehad. In het najaar van 1873 bezocht de opziener de school in Petten opnieuw:

“zo vol, zo bedompte atmosfeer – bijna 100 kinderen in een lokaal”.

Hij adviseerde om een hulponderwijzer aan te stellen om te kunnen splitsen in twee groepen.

Een commissie van de provincie stelde voor om in de kerk waarin de school werd gehouden tijdelijk daartoe een tweede ruimte in te richten, zolang de bijzondere werken aan de Hondsbossche zeewering zouden duren. Voorts moest de minimum leeftijd op zes jaar worden gesteld en dienden de kinderen uit de Hazepolder elders naar school te gaan. Wordt vervolgd in 1874.

Per 1 januari 1874 werd het salaris van het Pettemer schoolhoofd van f. 700 op f. 800 per jaar gesteld.

“De nieuwe school aan het Zand te Zijpe, die op het einde van 1872 in aanbouw was, is in 1873 voltooid, de school te Burgerbrug onderging eene belangrijke verbetering.”

Maar:

“de jaarwedde van den hoofdonderwijzer aan de school te Schagerbrug werd verlaagd van f. 900 op f. 800, in te gaan 1 Mei 1874”

(waarschijnlijk kreeg hij taakverlichting door de aanstelling van een hulponderwijzer) en de jaarwedde van alle hulponderwijzers in de gemeente Zijpe werd verhoogd naar f. 500.

Armwezen

Over het algemeen was de situatie in Noord-Holland niet ongunstig, de gezondheidstoestand “merendeels goed”. De arbeid “op het veld kon het geheele jaar doorgaan, ten gevolge van twee zachte winters (’72/’73 en ’73/’74)”. En ook verder was er ruimschoots werkgelegenheid. De ‘begrafenisbus’ (-fonds) te Zijpe telde 5188 leden. Dat is meer dan het aantal inwoners van deze gemeente, dus ook leden van elders. Aan contributie werd f. 9.113,69 opgehaald; aan begrafenisgelden is f. 4.561,50 uitgekeerd.

Wegen

De hoofdingelanden van de Zijpe en Hazepolder moesten stemmen over een voorstel tot verharding van de wegen in die polder. Toen de stemmen staakten, diende de dijkgraaf te beslissen. Maar die wilde veertien dagen uitstel om “gedurende dien tijd het gevoelen der ingelanden (de grondbezitters) omtrent die zaak in te winnen”. Die bleken in meerderheid voor en dus was de dijkgraaf voor. Die beslissing leidde echter tot twee ‘adressen’ aan Gedeputeerde Staten met bezwaren. De dijkgraaf zou de financiële kant van de zaak verkeerd hebben voorgesteld en hij zou teveel hebben geluisterd naar de ingelanden. Dus was het besluit op “onwettige wijze tot stand gekomen”. Gedepuiteerde Staten waren het daar niet mee eens en het besluit tot verharding van de wegen was dus van kracht.

Dat moest f. 130.000 kosten en de polder wilde 20% subsidie uit de provinciale fondsen. Die oordeelde dat vele wegen in de Zijpe uitsluitend van plaatselijk belang moesten worden geacht. Van meer belang werden gezien de beide wegen langs de Groote Sloot (enigszins kortere weg Wieringerwaard-Alkmaar), de weg langs de noordelijke grens van de Zijpe (betere verbinding Zijpe-Anna Paulownapolder, Wieringerwaard), alsmede de westelijke gedeelten van de Keinsmer-, Schager-, St. Maartens- en Burgerwegen (“waardoor de reeds verharde gedeelten dier wegen met den Zijper Zeedijk zouden worden verbonden”). Tezamen 33,695 kilometer, kosten f. 65.000 waarvoor f. 11.000 subsidie zou worden gegeven. Het polderbestuur vond dat te weinig. Het Rijk weigerde bij te dragen omdat de Rijksweg AlkmaarNieuwdiep – midden door de polder (langs het Noordhollands Kanaal) voldoende werd geacht.

Landbouw en Veeteelt

In Zijpe werd in 1873 een grasmaaiwerktuig in gebruik genomen, net als in Grootebroek, Sloten en Wieringerwaard.

“Gebruik van hooischudders, dorsch- en harkwerktuigen, stroo- of hakselsnijders, zaadpletters, ketting-eggen en andere werktuigen neemt steeds toe.”

In deze bloeiende jaren, waarin de arbeid wat duurder werd nu er geld was om enig risico te lopen, werd dus een begin gemaakt met de mechanisatie in de agrarische sector.

Het jaar 1873 was, volgens het provinciaal verslag, voor de landbouwer niet ongunstig: de zachte winter werd gevolgd door enige warme lentedagen, maar door de nachtvorst eind april en vooral het schrale voorjaar bleven de gewassen achter. Door de zomerse warmte herstelden de meeste soorten zich echter weer. Omdat het evenwel tijdens de oogstperiode regende was het geen topjaar.

Met het grasgewas ging het vrij goed en “de hooioogst leverde, wat de eerste snede betreft, een zeer goede uitkomst op; de tweede snede leed door de regens”. Muizen zorgden voor veel schade.

Te Anna Paulowna werden proeven met de bloembollenteelt genomen, die aanvankelijk goed slaagden.

De gezondheidstoestand van de veestapel was zeer gunstig, want weinig ziekte.

Hondsdolheid

“In het begin van September was te Zijpe door eenen veehouder een hond bij zijne schapen gezien. Twee weken daarna werd gedurende vijf opvolgende dagen telkens een lam dol en acht dagen later eene geit en een lam. De lammeren stierven bijna alle op den vijfden, de geit op den tweeden dag na het zich openbaren der ziekte.”

“Bij een in de nabijheid wonenden landbouwer, bij wiens schapen waarschijnlijk dezelfde hond was geweest, stierven plotseling op den 14den, 16den en 18dag nadat de hond was gezien, drie lammeren en op den 21sten dag werd een lam dol, dat den 3den dag werd afgemaakt.”

Ook in de Zijpe werd door een vereniging van paardenfokkers een Oldenburger hengst aangekocht. De zuivelproduktie was niet ongunstig, de prijzen waren over het algemeen iets hoger dan in 1872: kaas 45 cent per kilo, boter 145 cent. Tarwebrood was sinds 1869 een paar cent per kilo duurder geworden, roggebrood (belangrijk voedsel voor `de gewone man’) daarentegen deed steeds ongeveer dezelfde prijs.