1874

Uit: Zijper Historie Bladen 14.2, p.11-13 (1996).
Uitgave van: Historische Vereniging “De Zijpe”
Auteur: L.F. van Loo

Bevolking

Het inwonertal van Petten nam flink toe van 454 tot 507, een stijging van bijna 12%. In Zijpe daarentegen was de groei er uit: de toename van 4930 naar 4934 was immers wel heel beperkt. Er was weliswaar een behoorlijk geboortenoverschot, maar tegenover 340 nieuwe inwoners van elders afkomstig stonden maar liefst 436 vertrekkers.

Provincie

Voor het kiesdistrict Schagen, waar Zijpe deel van uitmaakte, zaten in Provinciale Staten P. Hulst en Jhr.Mr. D. van Foreest (tot 1877), alsmede K. Breebaart en H. Koomen (tot 1880).
Het provinciaal archief ontving van het gemeentebestuur van Alkmaar een:

“photographische kopij van den brief door JACOB CABELIAU en zijne onderbevelhebbers tijdens het beleg van Alkmaar in 1573 geschreven aan den Gouverneur van het Noorderkwartier DIEDERIK SONOY, met verzoek om de stad ten spoedigste te ontzetten; welke brief, in eenen pols-of springstok gesloten, op den 2den September 1573 door den stadstimmerman MAARTEN PIETERSZOON VAN DER MEY naar Schagen, waar SONOY destijds zich ophield, is weggebragt”.

Door genoemd archief werd een belangrijke atlas van heemraads- en waterschapskaarten der provincie Noord- en Zuid-Holland aangekocht, met onder meer:
• nr. 3 De Zijpe.
“Afbeelding van de Zijpe, haer waere gelegentheid van dijckage, wegen, wateringen en de scheyslooten, gemeeten ende gecarteert door J. DIRCKSZ. ZOUTMAN. Zes bladen, behalve een blad met de wapens van dijkgraaf en hoogheemraden”.
• nr. 4 Het Hondsbosch.
“Het dijckgraaf- en hoogheemraadschap van den Hondsbossche en de duynen tot Petten, gemeeten en geteekend door J. SPRUYTENBURGH en in ’t koper gebragt door H. DE LETH, 1730”.
• nr. 11 De Zijpe.
“Kaart van de Zijpe, Beemster, Purmer en Waterland op één blad, gemeeten en geteekend door MR. LUCAS JANSEN SINCK, 1622”.

Gemeentebestuur

Op de algemene begraafplaats te Petten werd een `lijkenhuis opgerigt’ en deze begraafplaats werd gedeeltelijk van een omheining voorzien. In Zijpe ging ruim f. 32.000, in Petten f. 3200 om qua gemeentefinanciën.

Medische Politie en Openbare Veiligheid

In de gemeente Zijpe stierven vier mensen aan de typhus. Een oude brandspuit werd afgeschaft en twee nieuwe aangekocht. De zuivere opbrengst van verkochte ongereclameerde strandvonderij-goederen te Petten was f. 60. Dat bedrag werd door de burgemeester in ’s rijks kas gestort.

Militie

Petten had dit jaar geen dienstplichtigen, Zijpe 47, waarvan er 17 daadwerkelijk in dienst moesten. Van de gekeurden was er maar één onder de maat, dat wil zeggen kleiner dan 1.55 meter. De levensomstandigheden waren dus duidelijk verbeterd sinds 1854, want voorheen waren er veel meer te klein.

Onderwijs

De gemeente Petten verzocht om subsidie `voor de inrigting van een tweede schoollokaal’. Het gemeentebestuur ging met het kerkbestuur der Ned. Herv. gemeente een overeenkomst aan `waarbij de consistoriekamer, boven het schoollokaal gelegen, tijdelijk voor tweede lokaal in huur zou worden afgestaan. De kosten van inrigting werden geraamd op f. 396′. Die kosten moesten geheel voor rekening van rijk en provincie komen. Petten vroeg ook subsidie aan voor de jaarlijkse huur van het schoollokaal (f. 75) en voor verhoging van de jaarwedde van de hoofdonderwijzer (met f. 100), alsmede voor de aanstelling van een hulponderwijzer. De provincie ging accoord, behalve voor de hulponderwijzer; dat werd uitgesteld naar 1875.
Een aantal ingezetenen van het westelijk deel der gemeente Zijpe zond een adres aan het provinciebestuur. Zij hadden zich bij het gemeentebestuur beklaagd

“over den verren afstand, die hunne kinderen moesten afleggen om de school aan de Burgerbrug, die het digtstbij is gelegen, te bezoeken en hadden de oprigting verzocht van eene nieuwe school, en wel bij het kruispunt der Belkmer- en Burgerwegen aan de Mennonietenbuurt” (Burgervlotbrug).

Het gemeentebestuur zag daar niets in. Naar aanleiding van het adres hoorde de provincie de inspecteur van het lager onderwijs en de betrokken schoolopziener. Zij waren het eens met de adressanten. Dus moest Zijpe òf accoord gaan òf samenwerken met Petten

“tot het vergrooten der school aldaar, die in de nabijheid van de woonplaats der adressanten is gelegen, en ook reeds door enkele kinderen uit Zijpe, met name uit den Hazepolder, werd bezocht. Inmiddels was de vergrooting van de school te Petten verzekerd”.

Zijpe moest dan `eene billijke tegemoetkoming’ betalen voor de aan te stellen hulponderwijzer. Men wilde f. 100 betalen voor de `kostelooze toelating op de school te Petten van de kinderen die in den Hazepolder, aan de Pettemerkluft en omgeving wonen’. Petten stelde: dat betekent gemis van schoolgelden van de kinderen uit de Hazepolder die al op de school zaten en meerdere uitgaven voor schoolbehoeften. Men werd het uiteindelijk eens over een bedrag van f. 200.
Intussen was echter gebleken dat Petten al geruime tijd geen schoolgeld meer had geheven en dat de raad besloten had dit ook in het vervolg niet meer te doen. Dat wekte de woede van het provinciebestuur, dat immers nogal fors het Pettemer onderwijs subsidieeerde. De burgemeester zegde toe schoolgeld te gaan heffen in het volgende schooljaar. De provincie besliste voor één jaar f. 450 subsidie te geven voor de hulponderwijzer, daarna zou bezien worden of inderdaad schoolgeld geheven werd.

Armwezen

Over het algemeen was de toestand in 1874 gunstig. De gezondheidsituatie was merendeels goed en in vele gemeenten was ruimschoots werk, terwijl de zachte winter van 1873 op 1874 toeliet, dat vele werkzaamheden die anders door de vorst gestaakt moesten worden, voortgang konden hebben.
De Zijper begrafenis-`bus’ (fonds) telde 5.256 leden, die f. 9.247,94 aan contributie inbrachten; aan begrafenisgelden werd f. 4.710 uitgekeerd.

Waterstaat

De zeewering benoorden Petten verkeerde in goede staat. Er werd het normale onderhoud aan gepleegd voor f. 5346. De hoogste vloed was op 22 oktober, ’s nachts om 2 uur: 2,5 meter boven A.P., de laagste eb werd geconstateerd op 26 november, ’s middags om 3 uur: 1.65 meter onder A.P. De gemiddelde hoogte van de vloed was 0.55 meter boven A.P, de gemiddelde eb 0.859 meter onder A.P.; het gemiddelde verval was 1.409 meter.
Aan de Hondsbossche zeewering werd hard gewerkt in het kader van het grote versterkingsplan: aanleg van 29 hoofden, versterking van het noordelijkst gedeelte over 1427 meter, met steen bezetten van de voor- en de daarvoor gelegen plasberm over 963 meter + 579 meter. Voorts kwam er een kleibekleding met steenglooiing, bezoding en dekken met een krammat. Maar de storm van 21 op 22 oktober

“heeft aan de in uitvoering zijnde gedeelten van het werk belangrijke schade toegebragt. Het paalscherm en de daarachter aangebragte kleibekleeding werd op vele punten weggeslagen; zo ging 17000 kub. meter klei verloren. Er werd 7949 vierk. meter met steen bezet noodrijsbeslag aangebragt”.

Wegen/Tollen

In 1873 had het bestuur van de Zijpe en Hazepolder rijks- en provinciale subsidie gevraagd `voor het hardmaken van de wegen in dien polder’. De provincie wilde wel wat subsidiëren, maar het rijk wees een en ander af, er was toch `de groote Rijksweg van Alkmaar naar Nieuwediep (paardenpadje langs het Noordhollans kanaal, LFvL) welke weg midden door den polder loopt’ + een spoorweg, waardoor `genoegzaam in de behoeften van het algemeen verkeer’ werd voorzien, aldus de rijksoverheid. Het polderbestuur liet de minister daarop weten

“dat de op den Rijksweg bestaande tollen een groot bezwaar voor de ingelanden opleveren om van dien weg gebruik te maken. Vooral achtte het bestuur dit het geval met hen die van de Oude Sluis, Keinsmerbrug, Schagerbrug, St. Maartensbrug of Burgerbrug naar Alkmaar willen rijden, daar zij reeds een omweg moeten maken om dien met tollen bezwaarden weg te bereiken. Afschaffing der rijkstollen langs het Noordhollandsch kanaal in de Zijpe zoude aan de bezwaren van vele ingelanden een einde maken”.

De minister hoorde het provinciebestuur, dat sterk voor afschaffing van de tolheffing op de wegen bleek te zijn. Maar partiële opheffing (alleen Zijpe) vond men onbillijk. Dat vond ook de minister van Binnenlandse Zaken, evenals zijn ambtgenoot van Financiën. En dus ging de tolheffing gewoon door.

De gemeente Petten liet `den weg van den Hazendwarsdijk loopende naar en door het dorp, over eene lengte van 700 meter hard maken. De kosten bedroegen f. 900′. Door het polderbestuur van de Zijpe werd `de vaste brug over de egalementssloot aan het Buurtje’ vernieuwd; dat vorderde een uitgaaf van f. 2224.

Landbouw en Veeteelt

“Het jaar 1874 was voor den landbouwer gunstig. De winter was zacht en werd gevolgd door een koud voorjaar, dat tot in Mei aanhield”.

De zomer was warm en droog

“wat de groei der gewassen zeer bevorderde. Ook de oogsttijd kenmerkte zich door een gunstige weersgesteldheid. De regens welke in den nazomer vielen, herstelden op vele plaatsen de nadeelen die door de droogte geleden waren. Deze werden gevolgd door een prachtig en warm najaar”.

“In het voorjaar stond het grasgewas wegens de droogte in April en de lage temperatuur in Mei vrij schraal. Het herstelde zich echter door de later invallende warmte. De hooioogst, eerste snede, was hierdoor zeer voordeelig. Wel leed het latere gewas door de droogte in Julij en de eerste helft van Augustus, doch de regens, in de laatste helft dezer maand gevallen, gaven aan de weilanden weder een gunstig aanzien. Het warme najaarsweer werkte uitmuntend, zoodat ook de tweede snede eene zeer voordeelige uitkomst opleverde.”

“In de Noordelijke duinstreek breidt de bloembollenteelt steeds uit. Te Bergen werd voor het eerst eene openbare veiling gehouden.”

“De gezondheidstoestand van den veestapel was zeer gunstig. Geen enkele ziekte kreeg een belangrijke uitbreiding.”

Wel werden in Zijpe een of een paar paarden aangetast door de `kwade droes’. De veestapel nam weer toe, maar de handel in vee was minder levendig.

“Dit wordt hoofdzakelijk hieraan toegeschreven, dat de inkoopen voor vreemde rekening, welke sedert den DuitschFranschen oorlog (1870-71, LFvL) in ruime mate plaats hadden, in het afgeloopen jaar bijkans niet voorkwamen. Dit geldt voornamelijk den handel in koeijen. Op de najaarsmarkten waren door de groote aanvoeren de prijzen dalende.”

Maar `voor flink vee werden toch nog steeds aanmerkelijke sommen besteed’. De handel in kalveren was weer zeer belangrijk en tegen hoge prijzen. Een kalfkoe deed op de markt in Schagen f. 208 (1873: f. 240), een vette koe f. 260 (290), een vet schaap f. 30 (35), een lam f. 12,50 (15), een varken f. 20 (17) en een paard f. 104 (90). De zuivelproduktie was niet ongunstig en de prijzen bleven ongeveer op hetzelfde niveau als in 1873, dat wil zeggen kaas 41 cent per kilo en boter 138 cent.

Nijverheid, Handel en Scheepvaart

In Wieringerwaard was al een kaasfabriekje (naamloze vennootschap) met een `stoomtuig’ (een ketel), evenals in Barsingerhorn (Sieben & Co.), waar de stoomketel in 1874 werd geplaatst. Het zijn de enige twee in de provincie, voor zover werkend met een stoommachine. Over stoommachines gesproken: in Petten waren acht ketels, in totaal 275 PK, in bedrijf voor de werken aan de Hondsbossche.
De schelpenvisserij te Petten leverde 65 kub.meter op.

Door de Zijper schutsluis (net ten noorden van ’t Zand) voeren, naast de zeeschepen (door elf stoomsleepboten werden allen al 740 zeeschepen naar het Nieuwediep en 904 naar Amsterdam gesleept) 17.173 binnenschepen, alsmede 44.050 vlotten balken van 12 stuks en 19 koppelingen.

De jaagdienst langs het Noordhollands kanaal was nog steeds in handen van J. Kruyer uit de Zijpe. Hij vroeg nu f. 1,20 per paard per uur, maar kreeg van het Ministerie van Binnenlandse Zaken op 14 november toestemming om de `jaagloonen tot het einde van 1875 met 15 cents per paard en per uur te verhoogen’.

Diversen

“Te Zijpe zijn de tijdstippen waarop de kermis en de paardenmarkt aan de Schagerbrug worden gehouden, nader geregeld. Voortaan zal de kermis worden gehouden op den derden Zondag van de maand Augustus en den daarop volgenden Maandag en Dinsdag, de paardenmarkt op den zooeven genoemden Maandag”.

De verordening op de broodzetting in onder meer Petten is in 1874 ingetrokken; dat betekende het vrijlaten van de broodprijzen.