1875

Uit: Zijper Historie Bladen 14.4, p.13-15 (1996).
Uitgave van: Historische Vereniging “De Zijpe”
Auteur: L.F. van Loo

Bevolking

Petten onderging een gevoelige daling van het inwonertal: van 507 naar 457, ofwel tien procent; en dat ondanks een geboortenoverschot van negentien. Dus was er een groot vertrekoverschot. Tegenover 21 vestigers stonden inderdaad maar liefst 90 vertrekkers. Dat duidt erop dat de extra werkzaamheden aan de zeewering, die in de voorgaande jaren 250 tot 300 vreemde arbeiders hadden getrokken, over hun hoogtepunt heen waren. Die arbeiders woonden meestal niet in het dorp maar in zelf gemaakte onderkomens aan de Hondsbossche. Drankgebruik in het weekeinde leidde nogal eens tot wanordelijkheden (Bremer, Petten, dorp aan de dijk).
Vele van deze tijdelijke gasten kwamen van buiten Noord-Holland, hetgeen we terugvinden in de vertrekcijfers. Veel meer dan gewoonlijk vertrok men naar provincies buiten onze provincie.

Zijpe stabiliseerde zich min of meer qua inwonertal. Op 1 januari 1875 telde deze gemeente 4934, eind december van dat jaar 4930 ingezetenen. De geboorten- en vertrekoverschotten hielden elkaar ongeveer in evenwicht. Twee burgers van Zijpe vertrokken naar Nederlands Indië, zoals dat toen heette. Het betrof een welgestelde alleenstaande opzichter van Rijkswaterstaat en een ongehuwde, eveneens welgestelde vrouw zonder beroep. Gingen ze samen of hadden ze niets met elkaar te maken?

Gemeentebestuur

Er waren de gebruikelijke herverkiezingen van raadsleden in Petten en Zijpe. Nieuws was wel de opvolging door A. Eriks van C.J. Bollee als burgemeester van Petten.
Voorts werd de jaarwedde van de gemeentesecretaris van Zijpe op f. 700 gebracht. Het gemeentearchief “is voor zooveel de jaren 1854 tot en met 1874 betreft, geïnventariseerd geworden”.

Beide gemeenten hadden een batig saldo op de gemeenterekening en deden enkele bijzondere uitgaven. Zo werd het schoollokaal van Petten vergroot en kwam er een “berghuisje bij de onderwijzerswoning”. Zijpe schafte twee nieuwe brandspuiten aan en “richtte een lijkenhuis op”.

Openbare Veiligheid / Stranding

Petten:

“22 December. Het stoomschip `Trevethick’, kapitein G.H. Carr, met steenkolen van Shields naar Nieuwediep. De 27 opvarenden zijn met behulp van de reddingboot gered”.

Militie

De lichting 1875 telde voor Zijpe 52 kanididaten voor 19 plaatsen. Er moesten dus negentien dienstplichtigen geleverd worden. Velen werden afgekeurd, vrijgesteld of vrijgeloot. De meeste gekeurden waren 1.57 tot 1.70 meter groot. Drie jongemannen die wel in aanmerking kwamen lieten een plaatsvervanger (remplacant) of nummerverwisselaar tegen betaling van een paar honderd gulden hun plaats innemen.
Aangezien de dienstplicht toen nog niet persoonlijk was, kon je je laten vervangen door een armoedzaaier die zelf was vrijgeloot. Die moest daarvoor uiteraard betaald worden en kon zo een tijd aan de honger ontkomen. Dat riep gaandeweg de 19e eeuw zoveel weerstand op dat het remplacantensysteem net voor 1900 werd afgeschaft.

Onderwijs

“Te Schagerbrug, gemeente Zijpe, is ter vervanging der bestaande, een nieuwe (lagere) school gebouwd”.

De hulponderwijzer te Petten ging f. 600 verdienen, zijn collega’s in Zijpe bleven in eerste instantie op f. 500 steken, zij het

“met f. 100 verhooging voor het bezit der hoofdonderwijzersacte; bij een later raadsbesluit zijn de wedden op f. 600 gebragt”.

Armwezen

De toestand was, evenals in 1874, vrij gunstig volgens de meeste gemeentebesturen en “enkele deelden zelfs mede dat er vooruitgang was te bespeuren. De gezondheidstoestand der volwassenen was dan ook over het algemeen goed, en er was, vooral in de groote gemeenten, ruim gelegenheid om werk te vinden. Wel was de winter van langen duur, doch slechts in weinige gemeenten werkte dit nadeelig op het cijfer der bedeelden”.
In Zijpe werd een tweede zieken- en begrafenisfonds opgericht. In totaal waren 5.782 mensen lid, die ruim f. 10.000 aan (buiten)gewone contributie opbrachten. Er waren meer leden dan inwoners, dus we mogen aannemen dat ook mensen uit de directe omgeving bij dit fonds aangesloten waren. Aan ziekengeld werd net geen f. 200, aan begrafenisgeld f. 6.387 uitgekeerd. Deze fondsen gaven geen vergoeding voor geneesmiddelen of toelagen aan genees- en heelkundigen.

Waterstaat

“Aan de verbetering van de Hondsbossche werd verder gewerkt. In de loop van 1875 werd door het dijkbestuur f. 380.000 aanbesteed, om den 1sten November 1876 voltooid te zijn: het maken van 580 meter steenglooiing, verdere bermversterking en verhoging van de dijkskruin tot 7 meter boven vol zee”.

Eind 1875 was de stand der werken als volgt:

“De 29 hoofden en het noordelijkst gedeelte der zeewering, lang 3505 meter, waren voltooid opgeleverd. Even zoo een met steen bezette voorberm en de verhoging naar 7 meter boven vol zee van de dijkskruin van nummerpaal 39 tot de aansluiting bij Kamperduin”.

“Tot gedeeltelijke dekking van den vierden termijn van het aan het bestuur van den Hondsbossche en Duinen tot Petten toegestane subsidie, was op de begrooting (van de provincie) voor 1875 een bedrag van f. 55.000 geraamd, als opbrengst eener te sluiten geldleening. Overeenkomstig ons (GS) voorstel werd in Uwe zomervergadering (PS) besloten eene leening tot dat bedrag aan te gaan”.

De provincie stak zich dus in de schulden voor de versterking van de Hondsbossche zeewering.

Wegen

“Door het bestuur van de Zijpe en Hazepolder werd de verbetering ondernomen der volgende wegen: van den weg aan de oostzijde en van dien aan de westzijde der Groote Sloot, beide tusschen de St. Maartens- en de Burgerbruggen, en ter lengte van 3928 meter en van den weg aan de westzijde van genoemd water, tusschen de Schager- en de Keinsmerbruggen, ter lengte van 2444 meter”.

De verbetering bestond uit “ophooging en begrinding” en vergde in totaal ruim f. 21.400.

Landbouw en Veeteelt

De akkerbouw leverde over het algemeen vrij gunstige uitkomsten op in 1875. Immers, het voorjaar was goed, de zomer nogal droog, maar dat herstelde zich door het gunstige najaarsweer. Wel was er hier en daar schade door hagel (Harenkarspel) en ongedierte.

“De hooioogst gaf over `t algemeen een kort beschot, vooral wat de eerste snede betreft; het nahooi was voordeeliger”. Toch liep de hooiprijs op en dus moesten nogal wat boeren tegen de winter vee verkopen. Een enkel paard in de Zijpe leed aan “kwade droes en huidworm”.

De zuivelproduktie was niet al te ruim, maar de kwaliteit was goed, evenals de prijs. Kaas deed in Schagen 44 cent per kilo (1871:40, 1872:45, 1873:42,5 en 1874:41), boter 135 cent per kilo (1871:120, 1872:125, 1873:133, 1874:138). Kippeëieren gingen op de Schager markt voor vier gulden per honderd stuks van de hand.

“Door den Commissaris des Konings zijn voor het dienstjaar 1875/76 kostelooze bewijzen van registratie afgegeven voor 15 eendenkooijen, gelegen in de volgende gemeenten: Texel 6, Zijpe 2 en een in Castricum, Haarlemmermeer, Heiloo, Muiden, Naarden (Naardermeer), Wijk aan Zee en Duin, Zwaag.”

Nijverheid

De houtzagerij van Blaauboer en Co. in Zijpe nam een stoommachine van 14 PK (1 ketel) in gebruik. In de Wieringerwaard had een Naamloze Vennootschap een kaasfabriekje met een stoomtuig. Ze gingen daar vanaf dit jaar volvette Edammer maken (Twee honderd jaar geschiedenis van de Nederlandse Landbouw, p.118 met dank aan J. Rampen, Schagerbrug).

Handel en Scheepvaart

J. Kruyer te Zijpe, de aannemer van de jaagdienst langs het Noordhollands kanaal, kreeg toestemming “van den Minister van Binnenlandsche Zaken om de jaagloonen tot het einde van 1876 met 15 cents per paard en per uur te verhoogen”. In 1876 zou het Noordzeekanaal geopend worden, waardoor Amsterdam een veel kortere verbinding met de Noordzee kreeg. Het Noordhollands kanaal zou daardoor sterk aan betekenis inboeten en dus zouden er ook veel minder schepen door de Zijpe gaan. De nering van Kruyer werd bedreigd… en niet alleen die nering.