|
|
|
Uit: Wat een pracht; Monumenten en Bezienswaardigheden
in de gemeente Zijpe
Auteur: L.F. van Loo
Het huidige dorp is al het vierde Petten. Het derde, op enige honderden meters te zuidwesten van het tegenwoordige, werd op last van de Duitse bezetter in 1943 afgebroken omdat daar de Atlantkwall moest komen --- een compleet dorp verdween...
Aan het begin van de 15e eeuw was er sprake van Petten aan de Zijpe (Pethem bi der Zipe) --- het meest noordelijk; in de eerste helft van de 14e eeuw zou het gelijktijdig met het verzanden van de Zijpe-monding verlaten of ondergestoven zijn. Voorts lag toen wat zuidelijker Petten aan het Hondsbos, dat in 1421 bij de Elisabethsvloed verloren ging. Het meest zuidelijk lag Petten in Nolmerban, waarschijnlijk in 1452 verloren gegaan.
Petten aan het Hondsbos was het eerste Petten. Het tweede Petten, oostelijk van het eerste, spoelde weg in 1625 --- ruim honderd huizen verdwenen toen.
De kerk was eeuwenlang de concentratie van macht, kennis en bezit --- zulks met koninklijke goedkeuring van de Frankische vorsten. Het 'kerspel' was de laagste bestuurseenheid. 'Petten' bestond toen mede uit Schoorl, Bergen, Geestmerambacht (met Warmenhuizen) en Sint Maarten.
Zo kwam Petten in handen van de heren van Egmond. In 1317 gaf heer Wouter van Egmond "dat schoutambacht van Petten ende van de Zijpe" in erfleen aan Claes Jansz. van Petten. Dat geschiedde op dezelfde voorwaarden als waaronder Claes' voorouders het van heer Wouters voorouders in leen hadden gekregen; blijkbaar bestond de band al lang.
Nolmerban, niet meer dan een strook land tussen de smalle duinenrij en het waddengebied van de Zijpe, viel rechtstreeks onder de grafelijkheid (Holland) en vormde tot 1401 een geheel met Groet (en waarschijnlijk ook met Kamp = Camperduin).
Petten was, zonder Nolmerban, tot 1568 'onversterflijk erfleen' in handen van de heren van Egmond. Toen volgde een lange, treurige weg van confiscatie, verwoesting en verwaarlozing, alsmede slepende processen tussen schuldeisers en erven. De hele 17e (Gouden) eeuw volgden de oude en nieuwe heren van Petten elkaar op. Pas in 1696 werden Petten en Nolmerban opnieuw in leen uitgegeven aan een Egmond, te weten Gerard van Egmond van der Nieuburgh, burgemeester en raad der stad Alkmaar. De koopprijs was 15.000 gulden. De Van Egmonds en sedert 1743 door vererving het geslacht Van Foreest, bleven tot aan de Franse tijd de eigenaren.
De Bataafse grondwet van 1798 maakte een eind aan het leenstelsel en de heerlijke rechten in hun volle omvang. Na 1813 herleefden ze nog wel enigszins, maar sinds de nieuwe grondwet van 1848 zijn de eraan verbonden rechten afgesleten. Bovendien werd ook Petten in 1851 een echte gemeente met een gekozen bestuur.
In de 17e eeuw verhuurden Pettemer stuurlieden en bemanningen zich aan de Enkhuizer reders voor de haringvangst bij de Shetland-eilanden in het noordwesten van de Noordzee.
Pettemers bemoeiden zich relatief weinig met de koop- en walvisvaart; wel speelden ze een rol als handelaar op Straat Davids tussen Groenland en de Noord-Amerikaanse kust in de periode 1720-1740. Met de Eskimo's ruilden ze allerlei gebruiksartikelen zoals messen, ketels, hemden en snuisterijen tegen walvisspek.
In de 19e eeuw leefden de Pettemers van "werk aan de zeewering en het vissen van schelpen voor wegverharding". In de 16e eeuw hadden velen ook een boterham verdiend met werken aan de droogmakerij van de Zijpe- en Hazepolder. In de jaren dertig van deze eeuw kwam het toerisme op.
Tweeënveertig jaar later zijn er 17 zeeschuiten, ieder met een kok en zeven loodsen/vissers; in 1796 waren er nog 60 loodsen. Weer een halve eeuw later stonden er nog maar 78 huizen in Petten , bewoond door 86 huisgezinnen met in totaal 360 zielen. In 1926 was het inwonertal 367.