|
|
|
Uit:
Zijper Historie Bladen 15.1, p.3-23 (1997).
Uitgave van:
Historische Vereniging "De Zijpe"
Auteur:
L.F(rank) van Loo
De Historische Vereniging `de Zijpe' heeft op 21 februari 1977 ook een videoproduktie over de geschiedenis van (de) Zijpe uitgebracht, onder de titel `Zijpe in beeld'. Die zal bij diverse evenementen vertoond worden. Piet Morsch, onze voorzitter, en de auteur van dit verhaal hebben het idee ontwikkeld en afbeeldingen gezocht die iets vertellen over (de) Zijpe door de eeuwen heen. George Stoekenbroek maakte daar dia's van en ging op pad om een beeld in dia's te maken van Zijpe vandaag. Die circa 270 dia's met een tekst van mij en mooie muziek zullen tot een fraaie video verwerkt worden, die in ruim 20 minuten het verhaal van de Zijpe zal vertellen. Vooral in beelden; de tekst kan alleen op hoofdlijnen ingaan. Dit artikel is een uitgewerkte versie van die tekst.
Maar dan nog, ruim vierduizend jaar in één artikel betekent per definitie zeer streng selecteren. Er staat dus heel veel niet in. Bovendien zijn voor de periode vóór de droogmaking de bronnen zeer schaars. De eeuwen daarna zijn belicht door J.T. Bremer in zijn Zijpe I (-1820), Zijpe II (1820-1920) en Zijpe III (1920-heden). Dat laatste is nog ter perse, maar ik mocht het manuscript inzien. Ook bedank ik Adriaan Kuller en mijn oom Harry van Loo voor het aanleveren van archiefmateriaal over de bedijkingsplannen voor de Zijpe in de 14e en 15e eeuw. Joop Nederkoorn voorzag een eerdere versie van dit artikel van kritisch commentaar. Ik heb er dankbaar gebruik van gemaakt. De meeste reproducties van de afbeeldingen bij dit artikel zijn gemaakt door George Stoekenbroek.
Waarschijnlijk pas tussen 3400 en 2800 voor het begin van onze jaartelling vestigden zich de eerste vaste bewoners in deze streken. En wel in de duinen en op de hoge oeverwallen langs de geulen in het toenmalige Westfriese waddengebied. Een paar eeuwen later leefden er ook mensen in wat nu de Zijpe is, op de natuurlijke verhoging tussen Keinsmerbrug en de Keins (`Grootkeins' of `Leeuwenhorn').
In de jaren tachtig zijn daar door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) opgravingen gedaan waarbij resten werden gevonden van een waarschijnlijk tijdelijke nederzetting. Lieden die hun hoofdvestiging hadden in de omstreken van Aartswoud jaagden en visten hier een bepaalde periode van het jaar. Hun vangsten werden ter plekke geconserveerd en vervolgens meegenomen naar de permanente nederzetting (Note: Onderzoek o.l.v. W.Hogestijn; hierover is nog geen aparte publikatie verschenen.).
Het kan zijn dat er eerdere bewoning is geweest, maar gezien de bodemopbouw zitten eventuele bewoningssporen zo diep dat die normaal gesproken nooit meer gevonden zullen worden.
De archeologische werkgroepen Zijpe en Schagen, waren onder leiding van Frans Diederik vele zaterdagen actief met dit fascinerende onderzoek. Uit de tweede eeuw na Christus werd een gedeelte van een nederzetting gevonden (de rest ligt waarschijnlijk onder de brede Molensloot aldaar) met een paar afvalpotten, spintolletjes, scherven van inheems aardewerk, zaden, botten van allerlei dieren en, vrij uitzonderlijk, mooi Romeins aardewerk.
Deze mensen woonden toen in houten huizen met rieten daken. Zo'n huis omvatte een woonruimte met haard, stalruimte voor het vee en opslagruimte. De bewoners leefden van veeteelt (schapen en/of geiten en een paar koetjes) en akkerbouw (emmertarwe en spelt). Ze voorzagen zoveel mogelijk in hun eigen behoeften (aardewerk om te koken, wollen stoffen als kleding, zout, ijzer voor werktuigen. Zout en ijzer zal gekocht zijn via het (inter)regionale handelscicuit (zie ZHB maart 1991: Frans Diederik, De archeologie van de Zijpe).
Toen in 1994 de gasleiding tussen Alkmaar en Oudesluis werd aangelegd, net ten westen van de Westfriese Omringdijk, zijn langs het tracé vele vondsten gedaan die ook getuigen van bewoning in de genoemde perioden (Note: Zie: L.F. van Loo, Archeologie, in: Zijper Historie Bladen (ZHB) jrg. 14, nr. 2 (mei 1996), p. 3-5.).
De recentelijk door de ROB samengestelde reconstructiekaart van het Noorderkwartier omstreeks 800 toont de situatie van toen. We zien kleine nederzettingen in het oosten van de Zijpe. Ook Petten bestond toen al, maar het lag een flink stuk westelijk van de huidige situering. Er was daar een kerk van Willibrord(us) (Note: Willibrord overleed in 739; Petten bestond toen al. Zie: J. Nederkoorn, Hoe oud is Petten eigenlijk?, in: ZHB jrg. 5 nr. 20 (november 1987), p. 4-7.).
De hele Noordkop benoorden de lijn Schagen-Medemblik verdween onder water. Dat en de vloed van 1196 leidden tot de oprichting van waterschappen die moesten zorgen voor goede dijken.
Eerst had men gedacht zich middels terpjes te kunnen beschermen, maar zo rond 1200 na Christus drong het besef door dat dat niet voldoende was. Er verschenen dammen en dijken in onze streken.
Omstreeks 1250 werd de 126 kilometer lange Omringdijk om WestFriesland gesloten. Het noordwestelijk gedeelte daarvan vormde de oostgrens van de Zijpe. In het zuiden lag de Oude Schoorlse Zeedijk.
Het grote Zijper (zee-)gat is waarschijnlijk ontstaan door de stormvloeden van eind 1248, die leidden tot de aanleg van (de inlaag) de Scagerdam of Vriesendijk, thans Valkkogerdijk. Aanvankelijk verdiepte dit zeegat zich door de stormen in de periode van 1262 tot 1288. Het vertakte zich in strandgeulen en zwinnen. In de hoofdgeulen konden schepen een beschutte ligplaats vinden.
Maar al vóór 1350 was het zeegat verzand en de kust weer gesloten. Omstreeks 1360 was het immers mogelijk om met paard en wagen van Petten via Callantsoog tot het Heersdiep te rijden. Vóór 1388 is er tussen Petten en Callantsoog een zanddijk aangelegd, waartoe de strandnollen werden vergraven. Rijnland, Spaarndam, Schieland, Delfland en Haarlem moesten die zanddijk onderhouden, maar per 1388 ging die verplichting over op de Kennemerdorpen.
In het oosten van wat nu de Zijpe is was er wellicht nog water in het Sint Maartenszwin dat via het Oude Veer in verbinding stond met de westelijke Waddenzee of met de Zuiderzee (Note: H. Schoorl, De Rijndijk bij Petten en de kustontwikkeling tussen 1296-1466, Alkmaar 1983, p. 1/2. J.T. Bremer, Van Zuiderzee tot Waddenzee, in: ZHB jrg. 14, nr. 2 (mei 1996), p. 14-17.).
De graven van Holland, die gronden langs de Zijpe bezaten, wilden toen al dat de Zijpe bedijkt zou worden. De Zijpegronden waren immers inmiddels zo hoog opgeslibd dat indijking technisch mogelijk moest zijn. Uit 1388 dateert een plan van hertog Aelbrecht van Beieren om een dijk aan te leggen van Callantsoog tot de Keins. Zo zou het hele Zijper bekken afgesloten worden en was de Westfriese Dijk langs het Geestmerambacht beschermd. Het plan ging niet door, we weten niet waarom. Was het te duur?
Wel werden de zwakste punten in de duinenkust tussen Petten en Callantsoog door dijkstukken versterkt. Dat gebeurde op kosten van onder meer de stad Haarlem en het baljuwschap Rijnland (de streek tussen Haarlem, Amsterdam, Den Haag en Gouda). De Noordkennemer dorpen en de stad Alkmaar moesten bijdragen in het onderhoud van deze versterkingen (Note: H. Lambooij, e.a., Heerlijk Schagen (1996), p. 46 en 98.).
In het Algemeen Rijksarchief te Den Haag bevinden zich stukken uit het archief van de graven van Holland die nog getuigen van de plannen/activiteiten met de Zijpe. Zo is er een Staat van achterstallen bij de bedijking van de Zijpe uit 1388 en een Rekening voor Simon Frederik voor de bedijking van de Zijpe, afgehoord 8 maart 1389 (Note: 8 Archief van de graven van Holland 889-1581, ARA Den Haag inventarisreeks nr.23, toegangsnr. 3.01.01, inv.nrs. 921 en 922. Met dank aan H. van Loo te Rijswijk.).
Geregeld was er toch versterking nodig en aanvankelijk gebeurde dat ook tot men het er maar bij liet. In de jaren zestig van de 15e eeuw was de dijk opgenomen in een proces van verstuiving en natuurlijke duinvorming. Sedert 1466 ging de aandacht vooral uit naar de Hondsbossche zeewering, die steeds meer in zuidelijke richting uitgebreid zou moeten worden (Note: 9 J.T. Bremer, Petten, dorp aan de dijk, p. 4. H. Schoorl, De Rijndijk bij Petten, p. 1-5.).
Op 1 mei 1443 werd in de stad Dyon, door ook weer Philips van Bourgondië, het eerste octrooi uitgegeven om de Zijpe te bedijken. Hij vond dat inpoldering dringend nodig was om WestFriesland te beschermen tegen de Noordzee. Voor toekomstige bewoners van de Zijpe bevatte dit octrooi gunstige voorwaarden. In het document wordt de Zijpe omschreven als een "stuk land" tussen de duinen/nollen en de Westfriese dijk. Philips bepaalde dat ällen die er zullen willen wonen, dat zij er zullen wonen vrij en gevrijwaard, om welke reden dan ook ze er zijn, (...) voor een termijn van tien jaar van alle diensten, heffingen, belastingen". Uitgesloten zijn degenen die samenzwering of geweld in de zin hebben tegen landsheer of ambtenaren "die hun werk doen". Mooie bepalingen niet waar? (Note: ARA Den Haag, zie noot (6), inv.nr. 941. Met dank aan Adriaan Kuller. Joop Nederkoorn was zo vriendelijk dit document, op mijn verzoek, uit het Oud Frans te ontcijferen en te vertalen.).
Inmiddels was in 1446 het Hoogheemraadschap van de Hondsbossche en Duinen tot (= te) Petten gesticht. Maar pas in 1555 zou dat een zelfstandig dijkbestuur worden. Wel ging intussen de Hondsbossche zeewering in het zuidwesten van de Zijpe een bescherming tegen het zeewater worden.
Vanaf 1506 brak men hier en daar met het systeem van `wijken voor de zee'. Dat hield terugtrekken en dus landverlies in. Voortaan zou een actieve kustbescherming daar een eind aan maken. Daartoe werden vijfentachtig meter lange paalhoofden van hout en steen loodrecht op de kust aangelegd om de kracht van het zeewater te breken.
Elf jaar later verrees hier de eerste watermolen in de verre omtrek, om de problematische afwatering van dit poldertje aan te pakken.
Nog in de vijftiende eeuw werd een tweede octrooi voor bedijking van de Zijpe verleend: in 1487, aan de graaf van Egmond, door Maximiliaan en Philips de Schone (Note: J. Belonje, De Zijpe en Hazepolder, p. 2-6.).
Plannen om de Zijpe te bedijken waren er al in 1388. En geregeld kwamen er nieuwe plannen, waarvoor de landsheer dan octrooi verleende. De noodzaak werd dus al eeuwen ingezien, maar òf het werd uiteindelijk technisch toch te moeilijk geacht òf er was geen geld voor. In 1516 gaf keizer Karel V een derde octrooi aan ene Cornelis van Glomes, waarvoor deze zeven jaar de tijd kreeg. Maar het werd weer niets.
Echter, in de loop van de 16e eeuw kwam er een argument voor indijken bij. Eerder was altijd alleen sprake van bescherming van West-Friesland, nu werd benadrukt dat bedijking ook landbouwgrond zou opleveren. Dat was van steeds meer belang gezien de toename van het inwonertal van Holland. Begin jaren vijftig ging het er echt op lijken. Een consortium onder leiding van initiatiefnemer Jan van Scorel kreeg op 31 maart 1552 (1551) van keizer Karel V toestemming om de Zijpe in te polderen (Note: Octrooi verleend op 31 maart 1552.). Het daartoe benodigde kapitaal verwierven Van Scorel en zijn companen op de beurs van Antwerpen.
Na een uitgebreide studiereis door Italië en het Heilige Land kwam Jan in Utrecht terecht. Hij schilderde er en verwierf (kocht) zich de kerkelijke functie van vicaris en later kanunnik. Omstreeks 1526/27 had Van Scorel enige tijd een eigen atelier in Haarlem, maar hij ging toch weer naar Utrecht. Met Agatha van Schoonhoven kreeg Van Scorel zeker zes kinderen. Ze waren niet getrouwd, want dat was een kerkelijk functionaris nu eenmaal niet toegestaan.
Van Scorel leidde een actief leven, had vele connecties en ontwikkelde zich ook tot uitvinder (van een baggermolen en van cement voor onderzeese steenglooiingen) en tot zakenman (Note: Voor meer informatie over Jan van Scorel zie de biografische roman van H. Alders, Jan van Scorel. Een leven in schetsen, Schoorl (Conserve) 1995. Compagnons van Van Scorel waren in ieder geval Mr. Nicolaas Nicolai, griffier van de orde van het Gulden Vlies en ontvanger-generaal van de beden in Brabant, en diens zwager Guillaume Moys Petersz uit Antwerpen. Wellicht was ook Jans oude compaan Swaen, baljuw-drossaard van kasteel Vredenburg er nog bij betrokken. H. Schoorl, Ballade van Texel, p. 6.).
De Leonardo da Vinci van het noorden?
De keizer vindt dat echter veel te omvangrijk en geeft op 31 maart 1552 alleen octrooi voor de bedijking van de Zijpe.
In april 1552 staat Van Scorel op de Antwerpse beurs dit project aan te prijzen. Mogelijk heeft hij als propagandamateriaal een leerling de fraaie, levendige ingekleurde kaart laten maken van de Zijpe en het gebied ten noorden ervan (zie de omslag van deze Zijper Historie Bladen). Van Scorel had ook een paar tonnetjes `vette zeeklei' bij zich.
Antwerpen had inmiddels de leidende positie op de Vlaamse geldmarkt van Brugge overgenomen en was gespecialiseerd in internationale leningen.
Vlaamse speculanten zien er wel wat in en kopen meer dan de helft van de grond. Ook enkele heren uit Brussel en een aantal doctoren en juristen uit Mechelen nemen deel (Note: H. Alders, Jan van Scorel, p. 169.).
Op 24 mei 1552 steekt de schout van Schagen, met een ploeg van twaalf dijkwerkers, de eerste spade in de grond van de Zijpe. Maar al spoedig beginnen de problemen, ook op technisch gebied. Zo'n grote bedijking is immers nogal wat en zeker voor een kunstschilder.
Om de technische problemen de baas te worden is toen de hulp ingeroepen van deze ervaren, gezaghebbende waterstaatsman uit West-Brabant. Maar die was niet erg te spreken over het project want de bodem van de Zijpe leek hem veel te zanderig en dus van weinig waarde voor agrarische doeleinden. Vierlingh moest ook eten, bleef zes weken adviseren, streek zijn geld op en ging naar huis. Een aangeboden stuk grond in de polder, in plaats van geld, sloeg hij af. Van zijn bemoeienis met deze eerste bedijking van de Zijpe is een boeiend verslag overgeleverd (Note: J. Nederkoorn bewerkte dit boeiende verslag tot een goed leesbaar verhaal als speciale aflevering van de Zijper Historie Bladen onder de titel: De eerste bedijking van de Zijpe. Een ooggetuigeverslag uit 1553 door Andries Vierlingh.).
In het oosten lag de Westfriese Omringdijk, in het zuiden de Oude Schoorlsche Zeedijk. In het westen moest, van Petten tot Callantsoog, de Zanddijk komen en in het noorden, van Callantsoog tot voorbij de Keins, de Schinkeldijk, de Zijper (Zee)- en de Slikkerdijk.
Met man en macht werd de bedijking voltooid. Zo waren meer dan duizend paarden, evenzovele karren en nog meer mensen betrokken bij de aanleg van de zanddijk in het westen. De eigenaren van de paarden en karren, waarschijnlijk vooral uit WestFriesland afkomstig, hadden voer voor de paarden en proviand van huis meegenomen. Met de arbeiders en de opzichters sliepen ze 's nachts in de bedijking. Als voer en proviand op waren gingen ze weer naar huis om nieuwe voorraden te halen. De daggelders uit de directe omgeving verdienden zestien tot twintig stuivers per dag, de ervaren dijkwerkers uit onder meer West-Brabant zullen meer gekregen hebben.
Hij wilde in deze contreien een kleine indijking bij Petten: de naar hem genoemde Haese(n)polder, later geschreven als Hazepolder. Vierlingh noemde het overigens "den Dwaesenpolder", want zand indijken vond hij maar niks.
Medio april zijn de condities voor de verkaveling van de nieuwe bedijking opgesteld door bedijkers en commissarissen. De breedten van de dijkbermen, vaarten en wegen werden vastgesteld en voorgeschreven. Simon Meeuwsz. uit Edam kreeg opdracht de polderindeling uit te meten en vervolgens de kavels uit te zetten. In de loop van de (na) zomer van 1553 kwamen wegen, vaarten en sloten gereed. Op 23 oktober zijn de kavels op een grote vergadering in Petten verloot. Binnen zeventien maanden was het hele karwei geklaard (Note: 18 H. Schoorl, Ballade van Texel, p. 10.).
Deze eerste bedijking werd echter geen groot succes. Nadat in de zomers van 1553 en 1554 wegen, vaarten en sloten waren aangebracht, bleken in het najaar van 1555 de nieuwe (zand)dijken al weer dermate verstoven en verspoeld dat er doorbraken ontstonden. Jan van Scorel had zich inmiddels in 1554 al teruggetrokken en de voornaamste geldschieter Nicolaas Nicolai uit Belgisch Brabant zou fraude gepleegd hebben om aan het benodigde geld te komen; hij probeerde er in 1557 uit te springen.
Toen was er inmiddels een tweede poging op gang gekomen om de Zijpe alsnog te bedijken. De werkzaamheden konden, volgens de rekeningen van rentmeester Van Teylingen, pas in het voorjaar van 1561 beëindigd worden. De landsheer Philips II had de zaak aan zich getrokken. De grootste grondbezitter in de nieuwe polder in 1861 was Godert van Bocholt uit de Belgisch-Brabantse Kempen. Hij bezat zeker 2500 morgen, ongeveer een kwart van het totaal; 1200 in 1556 gekocht van Mr. N. Nicolai en nog eens 1300 morgen in 1559 overgenomen van Jan van Scorel (Note: J.T. Bremer, De Zijpe (I), p. 27.).
In het westen brak de Hondsbossche op zeker drie plaatsen door en ook de zanddijk van de Zijpe ten noorden van Petten werd over een grote lengte vernield, terwijl de dijk van de Hazepolder het eveneens begeven had (Note: J.T. Bremer, Petten, dorp aan de dijk, p. 5/6.). Callantsoog werd verwoest.
Een en ander blijkt uit een officieel rapport uitgebracht aan landvoogd Alva.
Holland was immers intussen bezet door de Spanjaarden.
Meer dan honderd mensen zouden met hun vee verdronken zijn en slechts zes van de ongeveer negentig behuizingen in de bedijking bleven gespaard.
Pas de vierde bedijking (1596/97) bracht de definitieve droogmaking. In de jaren waarin Hollanders een noordelijke (Nova Zembla) of zuidelijke (Kaap de Goede Hoop) doorvaart naar Indië proberen te vinden. Op 20 september 1596 verleenden de Staten van Holland een octrooi tot herbedijking aan Mr. Adriaen Anthonisz uit Alkmaar, Mr. Willem Schouten en jonkvrouw Elizabeth van Egmond. De bedijking werd van algemeen belang geacht.
De bedijking ging net als tevoren twintig min of meer zelfstandig bemaalde polders tellen, naast de kleine Hazepolder bij Petten.
In 1600 waren er 21 watermolens in bedrijf, vooral in de oostelijke helft, daar waar het het laagst was. Zeg maar ten oosten van waar sinds 1825 het Noordhollands kanaal loopt. Daar was ook de beste grond: klei, in stroken langs het voormalige Sint Maartenszwin.
De molens maalden uit op wat genoemd werd de Zijperboezem, een stelsel van sloten en vaarten waarvan de Grote Sloot de belangrijkste was. Voorts waren er de evenwijdig lopende Egalementssloten, door middel van dwarssloten met de Grote Sloot verbonden.
Aan het noordeinde van de bedijking lagen vijf sluizen (op de Zuiderzee), waarvan alleen de Grote Sluys bij Oudesluis een schutsluis was. Door de andere vier kon slechts gespuid worden, dat wil zeggen water afgevoerd. De schutsluis bij Oudesluis maakte het schepen mogelijk de Zijpe in en uit te komen voor de aanvoer van bij voorbeeld mest om de zanderige gronden in het westen van de droogmaking te verrijken.
Het Jacob Claesse sluisje aan het zuideinde van de Grote Sloot bij Zijpersluis diende ook voor het doorlaten van wateroverschotten vanuit het zuiden. In de Oude Schoorlsche zeedijk in het zuidwesten waren ook nog twee (spui) sluisjes gelegd.
De 6756 ha grote Zijpe was zoals gezegd verdeeld in twintig polders, aangeduid met hoofdletters (A t/m I en K t/m U). Iedere polder was op zijn beurt weer onderverdeeld in kleinere kavels aangeduid met een kleine letter (a,b,c,..). Zo stond en staat het hervormde kerkje van Burgerbrug in de polder de grote A, kleine k en het gemeentehuis van Zijpe te Schagerbrug in de polder grote D, kleine a. Schrijver dezes woont heel schuin tegenover dit gemeentehuis, maar in de polder grote C, kleine h.
In 1596 was er overwegend een kleibodem in de polders A, B, E en F, dus in het (zuid)oosten. Nadien is als gevolg van afgraven en diepploegen de kleigrens in de volgende eeuwen flink naar het westen verlegd. Maar de laatste decennia zien we weer een omgekeerde beweging: verzanding naar het oosten ten behoeve van de bloembollenteelt. Het kan verkeren...
Alle begin is moeilijk, zo ook in de in 1597 drooggevallen Zijpe en Hazepolder. De ontginning verliep moeizaam. Want in het oosten waren er ontwateringsproblemen en het westen van de polder bleek vooral uit onvruchtbaar zeezand te bestaan.
De ontwatering werd met tweeëntwintig watermolens aangepakt, het zeezandprobleem ging men met egaliseren, diepploegen en vooral bemesten te lijf. Mest werd een zeer gewild artikel. Over water kwam het aangevoerd vanaf Koedijk, uit de directe omgeving, uit de buurt van Medemblik en zelfs uit Friesland en Overijssel. Ook slootbagger, gedroogde modder en stadsvuil werden aangekocht om de gronden in het westen te verbeteren.
Zestig jaar later was er wel iets veranderd: dan is zo'n dertig procent van de grond in het bezit van 126 Zijpenaren en 64 bewoners van dorpen in de onmiddellijke omgeving. De Zijper grondbezitters zijn te verdelen in twee groepen: de boeren, met de wat grotere percelen, en schippers, handelaren of ambachtslieden met kleinere percelen.
Het overgrote deel van de landerijen werd verpacht voor twee tot acht jaar, waarvoor betaald werd met geld en/of in natura (haver, kaas, vee). De pachters waren vooral uit de directe omgeving van de Zijpe afkomstig.
Omstreeks 1625 telde de polder bijna 1300 inwoners, in 1674 was het inwonertal gestegen naar 2389. Dorpen ontwikkelden zich op de knooppunten van de Grote Sloot en de dwarswegen, maar Oudesluis was in 1674 het grootste met 68 huishoudens; de Hazepolder was goede tweede met 59.
Tweederde van de beroepsbevolking werkte in de agrarische sector, die in 1674 onder meer 181 boeren, 15 boerinnen (weduwen), 60 inwonende meiden, 46 meest inwonende knechts en 72 losse arbeiders omvatte. Voorts waren er ambachtslieden, twee schoolmeesters en beurtschippers, die veelal ook een of twee koeien hadden.
Akkerbouw en vooral veeteelt vormden toen de hoofdzaken in de polder. Een boer had gemiddeld acht koeien, die vooral gehouden werden om van de melk op de boerderij kaas te maken. Boter was een bijprodukt; voorts was er wat vetweiderij (slachtrunderen) en schapen waren er toen ook al. Paarden deden het zware werk op de veelal gemengde bedrijven, want de meeste (vee)boeren hadden ook wat bouwland.
Aanvankelijk waren de boerenbehuizingen vooral van hout, maar na 1650 kwam de stolp op. In de kort tevoren drooggemaakte Beemster bleek immers dat dit een efficiënte huisvesting voor gemengde bedrijven was.
In de polder zelf woonde slechts een plaatsvervangend baljuw, tevens bode. Aanvankelijk was het `Gemeenlandsch Huis' (Grote Sloot nu 201, thans veelal de Commandeurswoning genoemd) bedoeld als bestuurszetel, maar al heel snel werd het niet meer als zodanig gebruikt. In 1635 is het dan ook verkocht door het polderbestuur.
De koopvaardij en handel hadden flink wat families in de steden grote rijkdom gebracht in het begin van de Gouden Eeuw. Het was een tijd mode om een deel daarvan te beleggen in de grote droogmakerijen (1596-1635). Zo staken vooral Amsterdamse, inclusief uitgewekenen uit Antwerpen, en Alkmaarse welgestelden geld in de definitieve droogmaking van de Zijpe. Zij kregen een flinke vinger in de bestuurlijke pap en creëerden mogelijkheden om tijdelijk in de polder te kunnen verblijven om de verworven gronden te inspecteren en de activiteiten van de pachters te controleren.
Aanvankelijk diende vooral de zogenoemde camer, een stenen aanbouw aan de houten boerderij, als periodieke verblijfplaats van de eigenaar (en zijn gezin). Wat later kwamen de Heerschapsvertrekken in de stolpen. Zo'n gezamenlijke behuizing van eigenaar en pachter heette een Hofstede. In een aantal gevallen werden ook aparte vrijstaande Herenhuizen gebouwd voor de eigenaren en dat zijn de eigenlijke buitenplaatsen.
De meeste buitenverblijven voor de landeigenaren en hun familie in de Zijpe hadden een `plantagie'. Die omvatte een boomgaard, een moestuin en naast een grote vijver niet zelden ook een lusttuin met bossage voor een aangename wandeling.
Ze waren te vinden langs de Grote Sloot en meer naar het westen op de armere gronden, zoals bij voorbeeld Wildrijck en Westphalen, respectievelijk hoek Belkmerweg-Sint Maartensweg en Ruigeweg-Sint Maartensweg (Note: P. Dekker, Oude boerderijen en buitenverblijven langs de Zijper Grote Sloot, deel 1, Schoorl 1986, p.13-16.).
Men woonde er soms permanent, maar meestal alleen in de zomermaanden. Na een aanvankelijke forse uitbreiding van het aantal buitenverblijven in de polder (1600:10, 1660:90) daalde het aantal, zeker in de 18e eeuw, toen de Amsterdammers zich geleidelijk uit de Zijpe terugtrokken.
In die tijden van vervoer per boot of paard (en koets) was in een dag op en neer van huis naar de Zijpe voor velen niet te doen. Dus werd aan het Wapen van Zijpe te Schagerbrug een Koepel gebouwd als logiesgelegenheid voor de grondeigenaren van buiten om hier hun zaken te kunnen behartigen.
De Stolpen telde 12 huizen, 't Buurtje 11 en de Mennistebuurt (ten westen van Burgervlotbrug)10. Burger- en Sint Maartensvlotbrug, alsmede 't Zand zijn dorpen van later datum; ze komen op na de aanleg van het Noordhollands kanaal omstreeks 1825.
Halverwege de 18e eeuw is nog steeds tweederde van de Zijper beroepsbevolking werkzaam in de agrarische sector.
Van de 17e en 18e eeuwse bebouwing is thans nog maar heel weinig over. De al genoemde Commandeurswoning uit 1601, de stolp Vroegop (Grote Sloot 25, zie foto) uit 1670 en de hervormde kerk te Sint Maartensbrug uit 1696.
Voorts rest nog een enkel koetshuis: bij Brandwijck aan de Grote Sloot en op de hoek Korte Belkmerweg-Keinsmerweg. Veel is dus afgebrand of afgebroken.
In 1780 brak de Vierde Engelse oorlog uit en er werd rekening gehouden met een invasie in Holland. Dat leidde tot mobilisatie en bovendien werden Zwitserse huursoldaten ook naar de Zijpe gedirigeerd. Inbraakjes en besmettelijke ziekten waren het gevolg. De stemming werd er niet beter op.
Bij de in 1784 gesloten vrede van Parijs kwam ons land er ongunstig uit, waardoor de positie van de pro-Engelse stadhouder moeilijker werd. Een burgeroorlog dreigde. Pruisische troepen trokken Nederland binnen, vele Patriotten (tegen de regentenkliek en de stadhouder) weken naar Frankrijk uit, waar zich in 1789 de Franse revolutie voltrok.
In 1793 trokken een Frans leger en een Bataafs legioen, onder Daendels, op naar het noorden. Ze werden eerst teruggeslagen, maar kwamen later toch in deze contreien. De Bataafse Republiek werd een feit (1795-1806).
Delen van de Bataafse troepen onder Daendels, die zijn hoofdkwartier in Schagerbrug had, gingen de strijd aan. Daarbij vielen 1400 doden en gewonden, waarop Daendels zich terugtrok en tussen Oudesluis en de Sint Maartensweg een stelling inrichtte. Maar er kwamen meer Engelse troepen aan land en de Bataafse troepen trokken zich verder terug achter de lijn Avenhorn-Alkmaar.
In september braken gevechten uit, strooppartijen volgden. Begin oktober is er weer slag geleverd, onder meer bij Schoorldam en Alkmaar. Opnieuw werden aan beide kanten grote verliezen geleden. Inmiddels had de Engelse hertog van York zijn hoofdkwartier in Schagerbrug.
Het vooruitzicht de winter hier te moeten doorbrengen was niet rooskleurig. Immers hoe tienduizenden militairen te voeden in zo'n smalle strook land tussen Schoorldam en Den Helder, die bovendien al vrijwel uitgeput was qua voorraden? (Note: E. Walsh, M.D., Russen en Engelsen in Noord-Holland. Een verslag van de expeditie naar Holland in de herfst van het jaar 1799, Schoorl 1983.).
In november 1799 vertrokken de Engelse en Russische militairen dan ook vanaf Den Helder. Ons land kwam onder Franse heerschappij. Dat leidde ertoe dat het bestuur op Franse wijze werd ingericht: aan het hoofd van iedere gemeente kwam een `maire' (burgemeester), bijgestaan door een of meer adjunctmaires. Willem I werd na de bevrijding koning.
Op 1 mei 1817 werden Callantsoog, Petten en Zijpe (sinds 1 januari 1812 verenigd) weer afzonderlijke gemeenten, maar pas in 1825, bij het reglement voor het bestuur van het platteland, is de benaming schout vervangen door die van burgemeester.
Daarvoor moest de Zijper Zeedijk doorgraven worden. De koning wilde dat zo en overleg met het polderbestuur vond hij niet nodig. Praten kostte immers maar tijd. De Zijpe was echter toch flink nijdig, waarop Jan Blanken, de tijdelijk te Den Helder wonende Inspecteur-Generaal van Waterstaat en ontwerper van het kanaal, de plooien moest zien glad te strijken.
Maar koning Willem greep hoger: hij wilde een kanaal van Amsterdam naar Den Helder en geschikt voor zeeschepen. Door de vele ondiepten immers was de reis over de Zuiderzee moeilijk, tijdrovend en niet zonder gevaar. Ook de moeilijke ingang van het IJ (Pampus) zorgde soms voor lange wachttijden.
Door het nieuwe kanaal zou een koopvaarder of oorlogsschip in 18 uur van Amsterdam naar Den Helder of omgekeerd kunnen komen. Dat dan wel met behulp van zeven jaagritten van ieder ongeveer 2,5 uur en met zestien paarden. Over de Zuiderzee duurde de reis, afhankelijk van de wind, al snel enkele dagen.
Bovendien kon de scheepvaart intussen gewoon door de Grote Sloot blijven varen. Het nieuwe kanaal moest 5,60 meter diep en 37 meter breed worden, zodat een (marine)linieschip en een grote koopvaarder elkaar konden passeren. In de Zijperdijk bij 't Zand zou een grote schutsluis komen (breedte 15,47 meter, kolklengte 116,32 m en drempeldiepte 6,5 m).
De werken aan de schutsluis en het kanaalgedeelte door de Zijpe zijn in 1822 uitgevoerd door 800 à 1000 man. Het gemeentebestuur was bang voor ongeregeldheden en vroeg om honderd man schutterij. De in Den Helder gelegerde militairen zouden in gereedheid gehouden worden.
De polderjongens, zoals ze genoemd werden, kwamen uit vrijwel het hele land en zelfs uit Vlaanderen en Duitsland. Soms hadden ze vrouw en kinderen bij zich. Ze werkten in ploegen van 12 tot 15 man onder leiding van een putbaas. De werkdagen waren lang en de verzorging liet te wensen over, immers de meesten woonden in zelfgebouwde houten keten, die koud en vochtig waren. De vrouw van de putbaas kookte voor ze: aardappelen met vet, pap, of pannekoeken met spek. Veel zorg werd er meestal niet aan besteed. Die slechte omstandigheden en de tegenvallende verdiensten leidden af en toe tot opstandigheid en/of flink jenevergebruik. Toen het werk gedaan was zijn nogal wat polderjongens in de Zijpe blijven hangen naar het schijnt.
Bij 't Zand, de Stolpen, op de hoogte van Sint Maartens- en Burgerbrug en bij Zijpersluis kwamen vlotbruggen over het kanaal. Ze waren goedkoop en snel te leveren. Nadelen waren de kleine doorvaartbreedte en het langzaam openen en sluiten. Toch voldeden ze kennelijk goed, want toen in 1832 overwogen werd om ze te vervangen door ponten stak er een storm van protest op in de Zijpe. In 1959 zijn de Burger- en Sint Maartensvlotbrug vervangen door pontonbruggen, alleen bij Koedijk is nu nog een originele. Ze genieten provinciale bescherming.
De Stolpervlotbrug verdween in de jaren dertig van deze eeuw bij de aanleg van het kanaal Stolpen-Kolhorn. Er kwam een gewone brug voor in de plaats.
Jan Blanken, de ontwerper ervan en inmiddels Staatsraad Generaal van Rijkswaterstaat, was aan boord en deed dagelijks direct verslag van deze tocht aan zijn minister (ZHB 10e jrg. nr.1, p.21). Iedere dag werden die verslagen per post (koets) naar Den Haag gebracht.
De kosten van de aanleg van dit kanaal, inclusief de sluiswerken, zullen 12,5 miljoen gulden zijn geweest. Dat zou nu wellicht het honderdvoudige zijn.
Van oudsher werd de verbinding Zijpe-Alkmaar onderhouden door trekschuiten (tweemaal daags heen en terug) en door markt- en pakschuiten. Na de opening van het Noordhollands kanaal werden de verbindingen over water op de route Den Helder-Zijpe-Alkmaar en omgekeerd uitgebreid.
Tot de komst van de stoomslepers na 1850 werden vele schepen door het kanaal `gejaagd', dat wil zeggen getrokken door mens (binnenscheepje) of paard(en). Tot 1830 vervulde kastelein Jan Hout te 't Zand daar een hoofdrol in voor wat betreft het traject Den Helder-Alkmaar. Vervolgens kwamen er twee jaagstations in respectievelijk 't Zand en Zijpersluis.
Grote koopvaarders en linieschepen, die op het bochtige kanaal niet konden zeilen, werden door 12 tot 24 paarden getrokken. In 1830 kostte dat f. 0,80 per paard per uur. In de bochten liepen de jaaglijnen langs zogenoemde rolpalen. Van dat alles is vrijwel niets meer over, maar op het traject Stolpen-Sint Maartensvlotbrug is nog een jaagbruggetje over een zijtak van het kanaal bewaard gebleven.
Vanaf 1852 pachtte de familie Kruyer uit Zijpersluis de jaagdienst, maar toen kwamen er langzaam maar zeker meer stoomboten, waaronder stoomslepers. De nekslag was evenwel de opening van het Noordzeekanaal in 1876. Daardoor werd de scheepvaart op het Noordhollands kanaal veel minder. Wel bleef het een belangrijke rol vervullen in de Schermerboezem, voor de afvoer van overtollig binnenwater naar zee.
Een andere belangrijke ontwikkeling op verkeersgebied kwam in 1865: de stoomtrein Den Helder-Alkmaar via Anna Paulowna, Oudesluis (halte op marktdagen) en Schagen. Maar in het personenvervoer van Zijpenaren speelde het spoor een heel bescheiden rol.
Het leven ging in de 19e eeuw zijn gestage gang in de Zijpe, net als tevoren trouwens, zij het met af en toe een belangrijke gebeurtenis, zoals we gezien hebben. In 1809 telde de polder maar weinig meer inwoners dan in 1674, maar zeventig jaar later was hun aantal vrijwel verdubbeld naar 4960. Om echter vervolgens weer terug te lopen naar 4183 in 1899. Dat was het gevolg van de agrarische crisis (zie hierna), waardoor nogal wat Zijpenaren de steden opzochten in de hoop op betere economische vooruitzichten.
In 1840 waren er in de polder net zoveel behuizingen als in 1674, maar in die 572 woningen woonden meer mensen. De gemiddelde bezetting was opgelopen van 4,2 naar 6,3. Nogal wat woningen waren niet meer dan houten hutjes met een rieten dak -- laten we dat niet vergeten.
De gemeente Zijpe telde in 1895 994 woningen, als volgt verdeeld over de grotere dorpen: Burgerbrug 225, Sint Maartensbrug 188, Schagerbrug 227, 't Zand 187 en Oudesluis 167. Ieder dorp had een openbare lagere school en in 't Zand was ook een katholieke onderwijsinstelling. Inmiddels was een kwart van de Zijper bevolking katholiek.
Tot ongeveer 1875 hadden de scholen in de Zijpe maar één onderwijzer voor vaak meer dan honderd kinderen. Toen gingen, tot 1901 was er nog geen leerplicht, echter niet alle kinderen altijd naar school, integendeel.
Veel kostwinners hadden een combinatie van beroepen in die tijd. Zo was politieman Voorthuysen ook vrachtrijder (met paard en wagen), boerde hij met twee koetjes en verhuurde hij drie kamertjes in zijn huisje aan drie gezinnen... Vrouw en kinderen werkten ook meestal om het gezinsinkomen wat aan te vullen. Aanvullen, want ze kregen veel minder dan de mannen.
De dagloners/arbeiders hadden een loon in 1840 van gemiddeld f. 0,60 tot f. 0,75 per dag, als er werk was. Aan huur betaalden ze twee kwartjes tot zestig cent per week en volgens het gemeentebestuur was het inkomen "te gering om daarvan iets op zij te leggen". Bij strenge vorst en vaker in de winter of bij ziekte ontvingen deze mensen geen loon en dan was het dus armoede. De gemeente of kerk moest bijspringen met wat geld en wellicht brood. Ook op kerkelijke feestdagen werd er niet gewerkt en ontving men dus geen loon. Een kerstpakket met voedingsmiddelen hielp in het verleden om de eerste kerstdag, die niet per definitie op een zondag viel, door te komen.
Omstreeks 1750 was nog achttien procent van de Zijpe voor akkerbouw, maar dat liep geleidelijk terug naar zes procent in 1900.
Tussen 1850 en 1880 beleefden de boeren (sterk overwegend veeteelt) een gouden tijd: goede opbrengsten en uitstekende prijzen. De boerenarbeiders profiteerden daar echter minder van want de lonen bleven lang op hetzelfde lage niveau.
Omstreeks 1850 telde de Zijpe circa 3500 melkkoeien; van de melk werd op de boerderijen jaarlijks ruim 600.000 kilo volvette kaas gemaakt, die veelal op de kaasmarkt van Alkmaar verhandeld werd. In de volgende decennia kwam er minder vraag naar volvette kaas, het moest wat magerder. De boeren gingen toen de avondmelk afromen (voor roomboter) en die met de ochtendmelk verwerken tot zogenoemde dagkaas.
Een en ander was het gevolg van de grote concurrentie van opkomende landen als Australië, de Verenigde Staten en Argentinië. Voorts was specifiek op zuivelgebied Denemarken een geduchte mededinger geworden als gevolg van modernisering en hoge kwaliteit.
Op steun van de overheid hoefden de boeren toen niet te rekenen en dus moesten ze zelf fundamentele oplossingen zoeken. Dat deden ze vooral langs drie wegen: zuivelfabrieken, coöperaties en kunstmest. De omslag voltrok zich grotendeels in de volgende eeuw, maar wel kwamen er al snel dagfabriekjes voor kaas in de Zijpe; in 1882 in Keinsmerbrug en het jaar daarop in 't Zand. In 1900 waren er al acht, waarvan zelfs vier met stoomketels.
Na 1880 bleef het totaal aantal melkkoeien op hetzelfde niveau, maar de boeren hielden wel meer jong- en slachtvee. Van de in totaal 250 boeren hadden er 185 tien of meer koeien (waarvan 151: 10-20 en 34: 20 of meer) en 65 minder dan tien. Er verschenen meer schapen, varkens en kippen in de Zijpe.
In 1891 telde de polder 122 ambachtsbazen met 205 personeelsleden. De grootste categorieën waren: bakkers (19 met 35 knechts), timmerlieden (15 met 42 knechts), slagers en smeden (ieder 11 met respectievelijk 13 en 21 knechten), alsmede tien schoenmakers met 15 assistenten.
Tot 1851 behield het polderbestuur echter de feitelijke macht in de Zijpe, totdat de gemeentewet van dat jaar een strikte scheiding bracht, alsmede een gekozen gemeenteraad, hoewel er nog lang geen algemeen kiesrecht was.
In 1839 werd voor wat betreft polderbesturen de combinatie hoofdingeland (opperbestuurder)-heemraad(dagelijks bestuurder) verboden. Voorts moesten in het vervolg vijf van de tien hoofdingelanden en drie van de vijf heemraden in de Zijpe woonachtig zijn. Maar het bestuur bleef wel in het Alkmaarse stadhuis vergaderen. Voor de aan- en afvoer van de bestuurders was er een eigen jacht, dat ook werd gebruikt voor de jaarlijkse schouw van de dijken, sluizen en wateren.
Twintig molenaars, enkele werklieden, een polderbaas, twee sluiswachters en twee boden (een te Alkmaar en een in de Zijpe) waren in vaste dienst van de polder. De molenaars woonden gratis, maar verdienden te weinig om van te leven en moesten er dus iets bij doen.
Maar ook op andere terreinen veranderde er veel, ook in (de) Zijpe. We nemen een greep daaruit.
Maar na 1980 daalde het aantal geboorten nogal sterk en het inwonertal zakte wat in. Door de samenvoeging met Callantsoog in 1990 werd die dalende trend weer doorbroken. Thans telt de gemeente Zijpe ruim 11.000 inwoners.
Uit Den Helder moesten velen vertrekken. In 1944/45 telde Zijpe ruim 1500 geëvacueerden van elders, 1100 uit Den Helder en 400 uit Petten. Daarnaast waren er nog zo'n 500 à 600 nietgeregistreerden, waaronder nogal wat onderduikers.
Tussen 1947 en 1957 is Petten herbouwd, iets ten noorden van het dorp van weleer. Twaalf jaar na de oorlog stonden er ruim honderd nieuwe woningen voor 350 dorpelingen.
Zijpe bleef lang een overwegend agrarische gemeenschap. Nog tot na 1945 immers was meer dan de helft van de manlijke beroepsbevolking werkzaam in landbouw en veeteelt. We praten dan over 360 boeren en 600 boerenarbeiders. Toch was er inmiddels het nodige veranderd in deze sector en er zou ook nog heel wat volgen. Drie ontwikkelingen springen eruit: de mechanisatie, de opkomst en het weer verdwijnen van de zuivelfabrieken en de geleidelijke verdringing van de veeteelt door onder meer de bloembollen.
In het laatste kwart van de negentiende eeuw ging West-Europa gebukt onder een heuse agrarische crisis. Maar na 1900 leidde modernisering de sector uit het dal. Landbouwwintercursussen en kunstmest maakten een hogere produktiviteit mogelijk op de zandgronden in de Zijpe, dat wil zeggen op zeventig procent van alle grond. Rundveestamboek en betere veegezondheidszorg leverden een flink hogere melkgift per koe op. Maaimachines en hooiharken maakten de seizoenarbeiders uit de oostelijke provincies vrijwel overbodig.
De jaren dertig vormden weliswaar een dal, maar na de oorlog kwamen de melkmachines en de loonbedrijven op. Vele vaste werklieden waren niet meer nodig; zij vonden elders emplooi. De bollensector kwam langzaam maar zeker op gang, maar de mechanisatie ging traag. Dat had te maken met de kwetsbaarheid van het gewas en met het feit dat in de veelal katholieke kwekersgezinnen vele kinderhanden ter beschikking waren.
Maar ook dat zou niet zo heel lang duren in deze eeuw van veranderingen. Tussen 1960 en 1965 werden deze bedrijven, met in totaal zeventig werknemers, een voor een gesloten. De schaalvergroting zette immers door en de zuivelfabricage werd elders geconcentreerd. De melkschuit verdween uit de Grote Sloot en de Egalementsloten. Tankwagens verschenen, melkbussen raakten uit. De veehouderijbedrijven waren groter geworden, de melk ging in de koeltank om driemaal per week geleegd te worden.
Het grondgebruik in de Zijpe was in 1950 als volgt: 4800 ha grasland, 860 ha akkerland, 42 ha bollengrond en bijna 30 ha voor groenten en fruit. Tien jaar later was het bollenareaal wel met ruim de helft uitgebreid tot 66 ha (61 bedrijven), maar absoluut gezien was dat nog niet zo veel.
Weer tien jaar later tellen we 243 ha (111 bedrijven), bijna een verviervoudiging dus. En thans zitten we op bijna 1500 ha bollengrond in het binnenduingebied, maar ook elders. Hoe kon dat gebeuren? Hoofdzakelijk door krimp in de veeteelt enerzijds en bloei in de bollen anderzijds. Wat was het geval?
De landbouwoverschotten in de Europese gemeenschap rezen de pan uit: melkplas, vlees- en boterberg. Dat leidde tot onder meer de superheffing en quotering van melk. Land zonder melk daalde overal elders fors in prijs, maar in de Zijpe had de groeiende bollenteelt nu net dringend behoefte aan verse grond. Dus verkochten of verhuurden nogal wat veehouders hun melkquotum; op hun land kwamen bollen.
Veel veehouders van boven de vijftig (jaar) stopten er helemaal mee, ook vanwege de (milieu)regelgeving. Zo werd heel wat gras- en akkerland bollenland. Thans rest nog 2750 ha `blijvend grasland', maar voor hoe lang?
In 1960 telde de Zijpe nog bijna driehonderd rundveebedrijven, thans heeft de hele gemeente er nog maar net honderd. Daarvan zijn er 84 met melk- en kalfkoeien, met overwegend dertig tot zeventig stuks. In 1970 had een veehouder gemiddeld 25 melkkoeien, vandaag de dag zijn dat er 55.
De boerenwerklieden, overbodig geworden door de mechanisatie, kwamen voor een klein deel in de bollen terecht. Maar verreweg de meeste werden grondwerker bij Schaatsenberg uit Oudesluis (met werken door heel Noord-Holland) of gingen pendelen naar de Zaanstreek en de IJmond (Hoogovens). De pendelbussen en busjes reden af en aan.
Maar in de jaren zestig begint een welvaartsstijging voor velen. Er is dan een tekort aan arbeidskrachten in ons land, de economie bloeit en de lonen èxploderen', zeker begin jaren zeventig. En dat terwijl de prijzen achterbleven. Men kon dus meer doen met het loon: eerst een brommer, later een auto en vakantie, ook in het buitenland.
Waren er in 1948 nog maar 2500 overnachtingen van `badgasten' in Zijpe, in 1970 zijn dat er al 500.000. Aanvankelijk kampeerden ze vooral, of ze huurden een zomerhuisje aan de Belkmer- of de Westerduinweg. Nu zijn er veel bungalows, naast tien campings, los nog van het kamperen bij de boer. Bij Oudesluis verrees 't Zijper Eilant, met 155 bungalows van vooral Duitse eigenaren.
Met Callantsoog en Groote Keeten er sinds 1990 bij is het toerisme voor de gemeente Zijpe mog belangrijker geworden en goed voor maar liefst een op de vijf arbeidsplaatsen.
Stijging van de welvaart en de grotere mobiliteit maakten het mogelijk naar de supermarkten in vooral Schagen te gaan voor de boodschappen.
Ook in de ambachtelijke sector zijn veel kleine bedrijfjes verdwenen. Zo waren er in 1961 nog 24 timmerbedrijfjes, 12 schilders en 8 smederijen. Die zijn er nu niet of nauwelijks meer. Wel vinden we nu een paar grotere aannemers en een bedrijf als Ligthart carrosseriebouw te Schagerbrug, voortgekomen uit een wagenmakerij.
De firma's Dekker, Groot en Zeeman doen nog steeds in veevoer, zij het met allerlei bijprodukten en een moderne bedrijfsvoering. In de duinen bij Petten verrees het RCN/ECN-complex met later ook Mallinckrodt Medical BV.
Tussen 1913 en 1934 reed het stoomtrammetje van Schagen via Schagerbrug en 't Buurtje door de Ruigeweg richting Krabbendam, Warmenhuizen en Alkmaar. Vooral na de oorlog verschenen er steeds meer vrachtauto's, de fiets werd brommer en velen kochten een personenauto. In 1965 waren beurtschip en melkschuit verdwenen, de Grote Sloot was niet meer de belangrijke verkeersader van weleer. De weg langs het Noordhollands kanaal ontwikkelde zich van paardenpadje tot drukke autoweg.
Alleen de Zandstee uit 1972 met 48 bedden in 't Zand is nog een echt bejaardenhuis. Callantsoog immers kreeg een wozoco (woonzorgcomplex) in en op de plaats van het vroegere bejaardenhuis. Overal verrezen bejaardenwoningen; ouderen moeten, en velen willen, zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen. Thuiszorg moet dat mogelijk maken...
Veel langer zelfstandig thuis blijven werd ook mogelijk door de sterk verbeterde sociale zekerheid. Zo is AOW met een pensioentje wel iets anders dan de situatie van voor de oorlog; toen gold `oud is arm'. Ook de gezondheidszorg is verbeterd: in de grotere dorpen zijn naast apotheekhoudende huisartsen nu ook tandartsen. Kwam daar vroeger eens om.
De hervormden/protestanten kerken nu alleen nog in Schagerbrug en Callantsoog, de katholieken bezoeken de kerken van 't Zand, Burgerbrug en Callantsoog. Zomers zijn aan de Belkmerweg `De Anloup' en de `bollenkerk' te bezoeken. De overige kerkgebouwen zijn inmiddels omgevormd tot woon- of pakhuis of multifunctionele ruimte.
In de loop van deze eeuw werd ook de polder opgenomen in het proces van schaalvergroting. In 1980 ontstond het waterschap De Aangedijkte Landen en Wieringen. De secretarie van de polder de Zijpe (Schagerweg 52) en het naastgelegen kantoor van de technische dienst werden verkocht.
In 1994 ging Aangedijkte Landen op in Hollands Kroon te Wieringerwerf. De taak bleef hetzelfde: regeling van het waterpeil, aan-en afvoer van water en het beheer en onderhoud van de watergangen, alsmede de zorg voor boezemkaden en waterkeringen.
De kwaliteit van het water is de zorg van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier. Ook het onderhoud van de wegen buiten de bebouwde kom in Zijpe maakt deel uit van het takenpakket van dit Hoogheemraadschap, evenals de zorg voor de (zee)dijken. Want in een polder vereist het drooghouden van de voeten veel zorg.
Nogal wat Zijpenaren interesseren zich voor het verleden en willen een en ander in stand houden. De Oudheidkamer, in het gemeentehuis in Schagerbrug, bestaat al een kwart eeuw. De historische vereniging `de Zijpe' bloeit al 15 jaar. De stichtingen `De Zijper Molens' en `De Zijper Kerken' zijn actief en sinds 1992 is er een gemeentelijke Monumentencommissie.