De Hondsbossche Zeewering

Uit: Wat een pracht; Monumenten en Bezienswaardigheden in de gemeente Zijpe
Auteur: L.F. van Loo

In 1388 is er sprake van een zanddijk tussen Petten en ’t Oghe, aangelegd op kosten van onder meer het baljuwschap Rijnland en Haarlem. Daartoe had men de strandnollen vergraven. Hertog Albrecht bepaalde in genoemd jaar dat de Noordkennemer dorpen en Alkmaar met mankracht aan het onderhoud van deze dijk moesten bijdragen.

Toch voltrok zich op 18 en 19 november 1421 het ‘drama Petten’. De St.Elisabethsvloed raasde over kust en land, sloeg een groot gat in de duinen en vaagde Petten aan het Hondsbos weg. Door de normale winterstormen werden de Pettemer duinen nog verder aangetast en versmald. Overleg tussen de leenheer van het Noordambacht van Petten, Willem heer van Egmond, en de waterschappen van Kennemerland en West-Friesland in 1430 en 1431 leverde echter geen resultaat op. Toen sprong Rijnland in 1432 bij, om aan de gevaarlijke situatie het hoofd te bieden. De Rijnlanders legden een slaper(zand)dijk achter de beschadigde duinenrij van Petten in Nolmerban tot het Noordduin van Petten aan. Kennemers maakten het duin bewesten deze ‘Rijndijk’ rauw om opstuiving tegen de dijk te bevorderen (lit: Lambooij, Getekend Land, p.88).

Het onderhoud moest echter geregeld door de grafelijkheid afgedwongen worden want Bergen, Schoorl, Groet en weldra ook Haarlem, Alkmaar en Beverwijk liepen niet zo hard. En de kustafslag ging door… In 1465 was de duinenrij benoorden Camperduin plaatselijk niet meer dan 30 meter breed.

Op grond van een in 1463 opgesteld inspectierapport kondigde Filips de Goede op 5 juli 1466 een ordonnantie af op het herstel van onder meer de duinen bij het Hondsbos. Hij beval het herstel door opvullen van stuifgaten en beplanting, alsmede de aanleg van een slaperdijk achter de duinen van Petten en het oude Hondsbos. De uitvoering werd opgedragen aan speciale commissarissen en heel Noord-Holland werd in de omslag der kosten betrokken.

Eerst in 1477 kwamen er op initiatief van de stad Haarlem, hoofdstad van Kennemerland, een vast bestuurscollege en vaste dijkplichtigen. Maar dijkgraaf en heemraden stonden nog onder toezicht van het Hof van Holland. In 1506 verliet dit Hof het tot dan toe gevolgde systeem van wijken voor de zee en ging men over tot actieve strandverdediging met paalhoofden en verbindende paalwerken. Er ontstond zo een merkwaardig geheel van versterkte duinen, rietschuttingen en uiteindelijk 20 paalhoofden van Noorse en Zweedse balken, versterkt door grote hoeveelheden Vilvoordse steen.

Het hoogheemraadschap liet de Nieuwe Vaart naar Petten graven (1531) en kreeg in 1544 de Gote of Hondsbossche sluis in Zaandam in bezit.

Bij octrooi van Keizer Karel V op 15 mei 1555 kreeg het Hoogheemraadschap De Hondsbossche en Duinen tot Petten zelfstandigheid en een eigen bestuurscommissie (lit: Lambooij, Getekend Land, p.89).

Het ging lang goed met dit bastion tegen de zee, hoewel in 1625 ruim honderd huizen en de kerk van Petten door de kolkende zee werden weggeslagen. Toen in 1792 bij een zware storm de Hondsbossche bijna weer was doorgebroken werd het jaar daarna begonnen met de aanleg van de huidige (qua plaats en lengte) zeewering. Het onderhoud ervan was een kostbare zaak en kwam voor rekening van tachtig steden en dorpen in het Noorderkwartier. Dat sorteerde weer effect want sinds 1793 heeft de Hondsbossche de zee kunnen weerstaan, de verschrikkkelijke stormen van onder meer 1808, 1825, 1916 en 1953 ten spijt. Wel werd de zeewering toen zwaar gehavend.

Tussen 1977 en 1981 is de dijk op Deltahoogte gebracht, tot 11,5 meter boven N.A.P., 12,4 meter boven de laagwaterlijn en 10,9 meter boven de hoogwaterlijn, terwijl de kruin is verbreed tot 4 meter. Zeewaarts moeten de asfaltbetonstrook en de basaltglooiing de kracht van de golven opvangen. De nu 30 strandhoofden dienen om de zeestromingen uit de kust te leiden.

Aan de voet van de dijk (bij het parkeerterrein/strandopgang Zuiderhazedwarsdijk) is een tentoonstellingsgebouwtje ingericht, waar onder de titel ‘De Dijk te Kijk’.