Gemeentewapen: de Zijpe [logo Zijper Museum] [logo Geregistreerd Museum]

navigatiebalk

 

Zijpe en het Water: Vriend en Vijand, een inleiding

Door: dr. L.F. (Frank) van Loo, Schagerbrug
Gepubliceerd in: Zijper Historie Bladen, 26e jaargang, nr. 1
Een uitgave van de Historische Vereniging 'De Zijpe'

Expositie in het Zijper Museum vanaf 28 februari 2008 t/m 28 december 2008

Dit is het inleidend artikel* op een reeks artikelen, waarin dit jaar in de Zijper Historie Bladen aandacht besteed wordt aan allerlei facetten van het thema ‘Zijpe en het water: vriend en vijand’. Dat is de titel van de expositie in het Zijper Museum in Schagerbrug in 2008. In maart t/m december iedere woensdag- en zondagmiddag van 13 tot 17 uur te bezoeken, in de oostelijke vleugel van het gemeentehuis van Zijpe aan de Schagerweg in Schagerbrug.

Reconstructie van Noord-Holland omstreeks 1250
Reconstructie van Noord-Holland omstreeks 1250

Het buitenwater als vijand

Een uitgestrekt waddengebied
Zo’n 750 jaar geleden, omstreeks 1250, ontstond bewesten Schagen een uitgestrekt waddengebied met in het oosten het Sint Maartenszwin (nu ongeveer de Groote Sloot en de voortzetting naar het zuiden van het Oude Veer): de Zijpe. Met de Westfriese Omringdijk (WFOD) in het oosten, de Schoorlsche Zeedijk in het zuiden en lage duinen in het westen.
Maar de noordflank lag open, de Noord- en de Zuider-/Waddenzee hadden vrije toegang. Bij noordwester stormen liep die Zijpe onder water en werd de WFOD bedreigd. Dat was toen nog maar een bescheiden dijk, die dan ook geregeld doorbrak. De huidige ‘wielen’ getuigen daar nog van.

(Keinsmer)Wiel bij de Westfriese Omringdijk, getuige van een doorbraak in het verleden
(Keinsmer)Wiel bij de Westfriese Omringdijk, getuige van een doorbraak in het verleden

Kustafslag
Niet alleen de Omringdijk werd bedreigd door het zeewater, ook de lage duinen benoorden Camperduin hadden flink te lijden. Tussen 800 en 1350 na Christus was de kust tussen de huidige plaatsen Petten en Den Helder zeker vier à vijf kilometer landwaarts opgeschoven. Dat is gemiddeld 8 meter per jaar.

De Sint Elizabethsvloed
In 1421 veroorzaakte de Sint Elizabethsvloed een doorbraak in de duinen bij Petten. De Pettemers zochten hun toevlucht in de wat hoger gelegen dorpskerk, maar die stortte uiteindelijk in door de hoge stand van het zeewater. Volgens oude kronieken zouden hierbij 400 mensen omgekomen zijn. Het water als vijand inderdaad.
Het zeewater kwam toen tot Bergen – daar werden de kerkschatten van Petten teruggevonden. Deze ramp was echter voor het Hof van Holland wel aanleiding om voortaan voortdurend aan de kustverdediging bij Petten te werken. Aanvankelijk met simpele stuifdijken. En de kustafslag ging door, tussen 1466 en 1506 met vier tot vijf meter per jaar. Dat is weliswaar minder dan de acht van weleer, maar toch. Er kwam toen wel zware, uit hout en steen opgebouwde hoofden om het steeds maar weer afschuren van het strand voor de zeewering te stoppen. En het leidde uiteindelijk in 1555 tot een apart hoogheemraadschap: de Hondsbossche en Duinen tot Petten.

De hoofden voor Petten op de kaart van (het atelier) Jan van Scorel 1552
De hoofden voor Petten op de kaart van (het atelier) Jan van Scorel 1552

Bedijking van de Zijpe
Intussen kreeg in 1552 kanunnik, kunstschilder en uitvinder Jan van Scorel (zoon van de dorpspastoor van Schoorl en in Alkmaar op de Latijnse school gegaan) te Utrecht van keizer Karel V toestemming om dat waddengebied de Zijpe te bedijken. Dan ontstond er, extra beveiliging, een ruim voorland voor de WFOD en grond voor agrarisch gebruik, waaraan bij de beginnende verstedelijking van Holland behoefte ontstond.
Het ging niet van een leien dakje die bedijking. Pas de vierde poging slaagde, in 1597. Met een zanddijk achter de duinen in het westen (Petten-Callantsoog) en een zeedijk in het noorden (Callantsoog-De Keins/Schagen) werd het waddengebied afgesloten voor de zee.

Megaproject
Met ruim 6600 ha was dit verreweg de grootste landaanwinning van de 16e eeuw! Een megaproject qua financiering, qua waterbeheer en qua inrichting van het bestuur. Het aanleggen van de dijken en het graven van de Groote Sloot en de Egalementsvaarten gebeurde door duizenden mannen, vrouwen en kinderen uit Holland, Sleeswijk, Emden, Gelderland, Twente en Drenthe. Het polderbestuur ging allerlei taken uitvoeren die elders door de dorps- en stadsbesturen gedaan werden: naast de waterschapszaken ook ‘gemeentelijke’ taken, zoals op het vlak van armen- en wezenzorg, onderwijs en voorts kerkelijke zaken en justitie. Een noviteit! Pas vanaf 1800 zou er iets als een gemeentebestuur komen, vanaf 1851 door de gemeentewet echt iets voorstellend. Tot die tijd was het polderbestuur (opper)machtig.

De bedijking van de Zijpe vooraf in beeld gebracht door Jan van Scorel
De bedijking van de Zijpe vooraf in beeld gebracht door Jan van Scorel

Hoogheemraadschap
Tijdens stormen in 1551/52 werd de zeewering bij Petten flink beschadigd. De toch al hoge onderhoudskosten, ten laste van de kustdorpen, liepen verder op. Dat leidde tot protesten en in 1555 besloot Karel V dat er een nieuw waterschap moest komen, waarin de dorpen zeggenschap hadden, om de zeewering te gaan beheren: het hoogheemraadschap van de Hondsbossche en Duinen tot Petten.
Tot 1792 hield het vast aan kustverdediging met een zanddijk beschermd door voorland in de vorm van een breed strand. Maar dat strand kalfde steeds verder af en in 1731 sloeg de paalworm onbarmhartig toe. Petten moest in de 18e eeuw, tussen 1701 (toen de met zand overstoven kerk afgebroken moest worden) en 1792 compleet landinwaarts verplaatst worden.

Het documentenkistje uit 1730  van de Hondsbossche
Het documentenkistje uit 1730 van de Hondsbossche

‘Harde zeewering’
Toen, in 1792, waren ze het zat daar bij het bestuur van de Hondsbossche. Besloten werd om niet meer te wijken voor de zee en over te gaan tot constructie van een ‘harde zeewering’. Dat betekende in eerste instantie dat er vanaf 1796 strandhoofden voor de zeewering kwamen. Omstreeks 1870 wist dijkgraaf Jhr.Mr. Cornelis van Foreest zijn plan tot verdere versterking van de Hondsbossche door te drukken. En met succes: de watersnoodrampen van 1916 en 1953, die elders zo veel leed veroorzaakten, werden bij Petten goed doorstaan.[1] En omstreeks 1980 volgde verhoging en verbreding in het kader van het Deltaplan. Maar toen kwam/bleek de klimaatverandering, die met veel hogere golven gepaard zou gaan… Is de Hondsbossche niet meer veilig?
GAAN WE TERUG NAAR AF?
STEL DAT DE HONDSBOSSCHE DOORBREEKT, WAT GEBEURT ER DAN?

Deze unieke kaart laat zien hoe rigoureus Petten, 
Camp(erduin) en veel land ertussen aan de zee prijsgegeven zijn. 
Op de bestaande toestand in 1730 is met vrijwel horizontale strepen aangegeven waar de nieuwe Hondsbossche zeewering 
(de ‘harde’) aangelegd werd. Daar ligt deze nog, verhoogd, versterkt en
landinwaarts verbreed.
Deze unieke kaart laat zien hoe rigoureus Petten, Camp(erduin) en veel land ertussen aan de zee prijsgegeven zijn. Op de bestaande toestand in 1730 is met vrijwel horizontale strepen aangegeven waar de nieuwe Hondsbossche zeewering (de ‘harde’) aangelegd werd. Daar ligt deze nog, verhoogd, versterkt en landinwaarts verbreed.

 

Het binnenwater als vijand

Maar ook het binnenwater kan ernstige overlast bezorgen: overtollig water door bijvoorbeeld hevige regenval in de Zijpe zelf en/of teveel aanvoer van water vanaf het deel van de Schermerboezem ten zuiden van de polder. De Zijpe is onderdeel van die Schermerboezem, waarin vroeger vooral de Groote Sloot en later het Noordhollands Kanaal en het kanaal Stolpen-Schagen-Kolhorn belangrijke schakels waren en zijn. [zie hierna]

Overtollig water
Een bedijking van langs de kust aangegroeide en opgeslibde gronden, zoals de Zijpe, loosde overtollig binnenwater door gebruik te maken van het tijverschil (tussen eb en vloed) via een of meer sluizen op zee. Dit in tegenstelling tot een droogmakerij: een drooggelegd dieper meer. Dat moest van het begin af aan bemalen worden, door vele molens, om het land droog te krijgen en vervolgens blijven malen om het droog te houden. Zo ging het bij de Beemster (1612), de Heerhugowaard (1631) en de Schermer (1635) bijvoorbeeld.

Sluizenstelsel
Om overtollig water kwijt te raken was in de Zijpe een heel stelsel van sluizen aangelegd. Twee daarvan waren tevens schutsluis (ook om scheepvaart door te laten bij ongelijke waterniveaus en ongewenst zout water buiten te houden): de door de Groote Sloot verbonden Jacob Claessesluis in het zuiden (Zijpersluis) en de Groote Sluys in het noorden (Oudesluis). [2] Alleen om te spuien waren er een viertal sluisjes in de noordflank (de Duikersluis –1741, het Comans- en het Tielmanssluisje en het Alkmaarder- of Noordersluisje) en het Petse of Abtsluisje in de Schoorlsche Zeedijk in het zuiden. De naam Abtsluisje zou verwijzen naar de abt van het Benedictijner klooster te Egmond; van de gronden westelijk van de Slaperdijk was nogal wat van de abdij van Egmond.
De in 1610 bedijkte Wieringerwaard kreeg in 1621 een (schut-)sluisje in de Slikkerdijk om zo aangesloten te zijn op de binnenvaart in Noord-Holland en om zoet water in te kunnen laten in droge perioden. Er kwamen geen sluisdeuren, wel een ‘valschot’, dat in 1835 vervangen werd door schotbalken, in 1862 in steen is gezet en in 1949 afgebroken werd.
Bij de aanleg van het Noordhollands Kanaal [3]tussen 1819 en 1825 (het gedeelte door de Zijpe in 1822), dat Den Helder met Amsterdam verbond, kwam er ten noorden van ’t Zand in de Zijper zeedijk nog een sluis: de Zijper schut- of Kolksluis. [4] Eerst in 1845/46 ontstond de Anna Paulownapolder. Het kanaal Stolpen-Schagen(-Kolhorn) van 1936 kreeg geen sluis in de WFOD, maar een naaldkering. [5]

De Kolk bij Oudersluis op de kaart van Zoutman 1664/65
De ‘Kolk’
Het overtollige (regen-) water van de Zijpe moest via de boezem (Groote Sloot en Egalementsvaarten) en de sluizen in de noordflank naar de Zuider-/Waddenzee afvloeien. Maar aanvankelijk dachten de bedijkers op deze natuurlijke wijze onvoldoende water kwijt te kunnen raken. Omdat delen van de Zijpe (in het oosten en zuiden) min of meer beneden de zeespiegel lagen. Daarom werd tegenover de Groote Sluys bij Oudesluis een poldertje van 9 ha, omringd door hoge kaden, ingericht: de ‘Kolk’ (thans ’t Zijper Eilant). Het diende als wateropslag. Bij laag water in de Zuider-/Waddenzee werd tegenover de Groote Sluys een duiker geopend, waarna het Kolkbassin leegliep. Om daarbij een handje te helpen zijn in 1597 vijf molens in het poldertje geplaatst. Maar op de natuurlijke wijze ging het heel aardig en dus waren de molens overbodig. De ‘Kolk’ bleef onbemalen tot er in de 18e eeuw weer een molentje kwam en later een gemaaltje.
De Kolk bij Oudersluis op de kaart van Zoutman 1664/65

Boezemwateren
Veel gebieden in Noord-Holland, zoals polders en veenweiden, liggen onder zeeniveau. Overtollig water stroomde en stroomt daar dus niet uit zichzelf uit weg. Daar moet bemaling aan te pas komen. Vroeger door molens, later door stoom- en weer later door electrische gemalen. Die afvoer gaat veelal door brede watergangen: de boezem. Een boezem dient ook voor tijdelijke opslag van overtollig water, totdat lozing via sluizen op het buitenwater mogelijk is. In droge zomers kan ook water ingelaten worden via de boezem. De boezem ligt immers wat hoger dan de omringende polders. Boezemwateren liggen als een netwerk van aderen meestal langs de polders. Ze worden ook gebruikt voor scheepvaart en recreatie. De Zijper boezem bestond aanvankelijk (1597-1824) alleen uit de Groote Sloot en de Egalementvaarten. Vervolgens ging het Noordhollands kanaal een grote rol spelen en in 1936 kwam het kanaal Stolpen-Schagen-Kolhorn er nog bij. [5]

Tekening site HNkw watersysteem.
Tekening site HNkw watersysteem.

De Schermerboezem
De Zijper boezem is onderdeel van de grote Schermerboezem (77.000 ha). Voorts zijn er in Noord-Holland boven het IJ de Verenigde Raakmaats en Niedorperkoggenboezem (watert via het nieuwe gemaal bij Kolhorn af naar de Amstelmeerboezem, die het water via een sluis naar de Waddenzee afvoert) en de Amstelmeerboezem. De Wieringermeer, West-Friesland en Waterland wateren rechtstreeks af op het buitenwater (IJsselmeer, Markermeer en Noordzeekanaal)
Twee grote gemalen, de Helsdeur in Den Helder (loost op de Waddenzee) en het Zaangemaal in Zaandam (loost op het Noordzeekanaal) verzorgen de afvoer van het overtollige water van de Schermerboezem. Voorts is er een aantal spuisluizen waardoor water afgevoerd wordt naar het Markermeer, het Noordzeekanaal en de Noordzee. Dat kan echter alleen als het water daar lager staat dan in de Schermerboezem.
Jaarlijks wordt in Noord-Holland boven het IJ in totaal zo’n 1,3 miljard kubieke meter water afgevoerd naar het buitenwater. Ongeveer 350 miljoen kubieke meter [= ca. 25% van 1,3 miljard] wordt vanuit het Marker- en het IJsselmeer het gebied ingelaten. [bron: site Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier] Toen het Noordhollands kanaal er nog niet was, kwam het water uit de Schermerboezem door het vrijwel altijd openstaande Jacob Claessesluisje in de Zijper Groote Sloot om bij Oudesluis door de Groote Sluys bij eb gespuid te worden op de Zuider-/Waddenzee. [6]

Het omslagplichtig gebied van de Schermerboezem
Het omslagplichtig gebied van de Schermerboezem

 

Molens

Hoewel de Zijpe een bedijking is, liggen en lagen delen ervan onder zeeniveau. Dat zijn de zogenoemde benedenlanden in het oosten en zuiden; ze zijn van meet af aan door molens bemalen. In de ‘bovenlanden’ (ruwweg ten oosten van het NHkanaal) kwamen alleen molens als daar aanleiding toe was. Bijvoorbeeld om in te kunnen malen in tijden van grote droogte. Maar zo van 1665 tot in de 20e eeuw was er een vast aantal molens: ruim 20. In genoemd jaar waren er, althans volgens de kaart van Zoutman, ook 16 wipmolentjes voor bemaling van kleine oppervlakten. Stoomgemalen zijn er nooit gekomen in de Zijpe; daar was geen noodzaak toe in deze relatief hoog gelegen bedijking. Electrische gemaaltjes kwamen er na de electrificatie van Zijpe in ca. 1925 wel. Thans zijn er nog tien molens, goed gerestaureerd/onderhouden en maalvaardig. Negen zijn er van de stichting De Zijper Molens, een is er nog van het Hoogheemraadschap. [voor meer informatie zie L.F. van Loo, Fier in de wind. De Zijper molens, Schagerbrug 2001; verkrijgbaar in het Zijper Museum]

De molen F in Burgerbrug in 1972
De molen F in Burgerbrug in 1972

 

Het water als vriend

In de jaren 1922/23/24 kwam er waterleiding (en electriciteit)in de Zijpe. Dat wil zeggen in de dorpen; in het buitengebied (veel) later. Tot die tijd gebruikte men opgevangen regenwater (regenton) als drink- en huishoudwater. Voorts werd slootwater gebruikt. De sloten waren lange tijd ook de open riolen. Oudesluis was kennelijk het laatste dorp dat waterleiding kreeg. Eind oktober 1924 schreef de Zijper Courant: “Nu nog de waterleiding. Doch door de vele regens van den laatsten tijd, hebben we daar direct geen gebrek aan”.

 

Het binnenwater: Groote Sloot en Noordhollands Kanaal - de slagaders van de Zijpe

De scheepvaart
De in 1597 definitief bedijkte Zijpe had in de Groote Sloot, die door de gehele polder liep, een prachtige waterweg. Voor het vervoer van goederen, vee en mensen. Dat gebeurde met beurt- en trekvaarders.
Beurtvaart = het vervoer over binnenwateren met scheepjes, die een geregelde dienst onderhouden tussen twee of meer plaatsen. Als beurtschipper konden alleen ‘vertrouwde personen’ toegelaten worden omdat ze vaak als ‘wisselloper’ en ‘kassiers’ voor hun opdrachtgevers fungeerden. In 1674 telde de Zijpe 15 beurtschippers: 12 op Alkmaar en 3 op Amsterdam. In 1742 waren het er 19, alsvolgt verdeeld over de polder: 6 in Oudesluis, 9 langs de Groote Sloot (2 in Keinsmerbrug, 2 in Schegerbrug, 4 in St. Maartensbrug en 1 in Burgerbrug), 1 aan de Stolpen, 1 aan de Mennistebuurt (bij het latere Burgervlotbrug), 1 aan ’t Zand en 1 aan de Belkmerweg in het westen van de polder.
In 1811 waren er maar liefst 22 Zijper beurtschippers, met samen drie knechten. Twee schippers voeren op Amsterdam, de zogenoemde kalverschuiten.

De Groote Sloot in Schagerbrug ca. 1820-25. Aquarel Cornelis Bok.
De Groote Sloot in Schagerbrug ca. 1820-25. Aquarel Cornelis Bok.

Concurrentie
Ook schippers uit de Wieringerwaard en van Wieringen voeren door de Zijper Groote Sloot en die namen zo nu en dan mensen en goederen mee. Dat leidde tot klachten van de Zijper conculega’s en dan werd de keur die zulks verbood vernieuwd. Op een overtreding stond een boete van 100 gulden [een boerenarbeider verdiende zo’n 150 gulden per jaar], te betalen door de schipper én de passagier/afzender van de meegegeven goederen. De boete kwam ten goede aan de ‘algemeene armen’ van de Zijpe.
Na de opening van het Noordhollands Kanaal eind 1824 ging er ook vervoer door dat kanaal. Waarschijnlijk het grotere werk. De beurtvaart bleef bestaan; in 1921 waren er nog acht Zijper motorschuitdiensten:

  • F.T. Schotvanger te Burgervlotbrug: beurt- en vrachtdienst op Alkmaar;
  • F. Kossen te St. Maartensbrug;
  • D. Bakker te Stolpen;
  • J. Asjes te Oudesluis: beurt en vrachtdienst op Alkmaar;
  • J. Moleman te Schagerbrug: idem op de Zaanstreek en Amsterdam;
  • C. Silver te Oudesluis: idem op Amsterdam;
  • J. Schilder te ’t Zand: idem op Alkmaar en Den Helder.
Daarna kwamen de vrachtauto’s/bodediensten.

De trekschuit (en de postwagen)
Zeker vanaf 1703, maar wellicht ook eerder al, was in de Zijpe –evenals elders trouwens – de trekschuit het vervoersmiddel voor passagiers. Ons land kende een uniek stelsel van trekschuitverbindingen, van trekvaarten met jaagpaden erlangs. Ook de Zijper Groote Sloot fungeerde als zodanig, tot ver in de 19e eeuw. De verbindingen Alkmaar-Schagerbrug en Schagerbrug-Keinsmerbrug-’t Zand waren vaste waarden. In ’t Zand, bij de herberg Het Wapen van Alkmaar, werd overgestapt op de postwagen (bolderwagen met paarden ervoor) naar Huisduinen/Den Helder Voor 1825 was dat vrijwel alles in ’t Zand: een herberg met een luxer buitenverblijf erbij + een paar huizen. Pas door het Noordhollands Kanaal kon ’t Zand zich tot een flink dorp gaan ontwikkelen. Ook Petten had een trekschuitverbinding met Alkmaar. [7]

Schilderij Jannie Kuiper-Wetsteen
Schilderij Jannie Kuiper-Wetsteen

De jaagdienst langs het Noordhollands Kanaal
Vanaf de opening van dit kanaal eind 1824 gingen er dagelijks koopvaardijschepen en marinevaartuigen door. Tot de verbreiding van der stoomvaart werden deze zeilschepen door het kanaal getrokken door jaagpaarden. Op eerst zes en vanaf 1830 zeven ‘stations’ werd van paarden gewisseld. In de Zijpe eerst alleen in ’t Zand, vervolgens ook in Zijpersluis. Tot zijn dood omstreeks 1830 was Jan Hout, “herbergier van het Wapen van Alkmaar aan ’t Zand” en voerman op het wagenvervoer naar Huisduinen/Den Helder, ook jagersbaas voor het traject ’t Zand –Alkmaar. In 1840 werd aannemer van publieke werken (en schoonzoon van de Zijper burgemeester) Joost Lanser uit St. Maartensbrug “algemeen jagersbaas op het kanaal” voor een pachtsom van 5000 gulden. Hij betaalde de zeven jagersbazen van de diverse stations ieder 500 gulden per jaar en de jaaggelden waren voortaan voor hem.
Van 1852 tot 1877 (in 1876 werd het Noordzeekanaal geopend) pachtte de Zijper familie Kruijer de jaagdienst langs het kanaal. Ze woonden op de boerderij Vierhuizen bij Zijpersluis. Inmiddels waren er ook stoomslepers actief, maar kleinere schepen en vooral de houtvlotten naar de Zaanstreek werden nog gejaagd. Het was kennelijk een lucratieve bezigheid want de er bij betrokken Kruijers behoorden tot de hoogst aangeslagenen in de Hoofdelijk Omslag (inkomstenbelasting) in de Zijpe. [8]

IJsbaan met koek en zopie op de Groote Sloot in Sint Maartensbrug omstreeks 1912
IJsbaan met koek en zopie op de Groote Sloot in Sint Maartensbrug omstreeks 1912

IJspret en binnenvisserij
Zeker op de Groote Sloot waren in de diverse dorpen, als het vroor, ijsbanen. Met baanvegers en een koek en zopie. Ook werden wedstrijden gehouden, met prijzen die aan de armen geschonken werden. Af en toe werd het ijs op de Groote Sloot gebroken ten behoeve van de scheepvaart, wat voor veel commotie zorgde. In de sloten en vaarten van de Zijpe werd ook gevist, door een paar beroepsvissers en later ook door sportvissers.

Zomerhuisjes in Callantsoog
Zomerhuisjes in Callantsoog

 

De zee als vriend

Zo vanaf 1920/30 kwam de recreatie op gang en het toerisme. Een dagje naar het strand of een strandvakantie kwamen op. Toerisme zou een belangrijke economische factor voor Zijpe worden. Callantsoog en Groote Keeten, Petten en St. Maartenszee profiteren ruim van de zee met het strand als trekpleister.

De zee als vriend
Met name in Petten/Hazepolder werd veel aan kustvisserij gedaan, in combinatie met pilotage (het beloodsen van vooral koopvaardijschepen naar de rede van Texel/Den Helder). Dit gebeurde met pinken, platboomde scheepjes, die bij gebrek aan een haven in Petten op het strand lagen. Voorts was de zogenoemde zoutvisserij op haring, aan boord van vooral Enkhuizer haringbuizen, een belangrijke inkomstenbron. Callantsogers waren vooral betrokken bij de koopvaardij en de walvisvaart. De Pettemer visserij werd minder en minder in de 18e eeuw en na 1800 verdienden veel Pettemers hun brood aan de ‘harde zeewering’. Als dijkwerker. Oudesluis, dat tot de bedijking van de Anna Paulownapolder in 1845/46 ook aan zee lag, kende eveneens wat visserij. In de eerste helft van de 20e eeuw was Willem Muntjewerf er actief, onder andere op ansjovis op de Zuiderzee. Petten kende van 1923 tot 1940 de N.V. Visscherij Maatschappij Petten van de gebroeders Louis en Jacob Schager, met ook Pettemer bemanninsleden op de uiteindelijk vier twawlers. [9]

*Vooral gebaseerd op D. Aten, Een afgerond geheel. Waterstaat en waterschappen ten noorden van het IJ tot 1800, in: Hollanders en het water deel 1, Hilversum 2007, p. 23-60 en D. Aten, De Zijpe (1597), in: Zee van land, Woemer 2005, p.85-104.

De jol van Muntjewerf voor de ansjovisvangst op de Zuiderzee
De jol van Muntjewerf voor de ansjovisvangst op de Zuiderzee

Noten:

  1. Zie het artikel van L.F. van Loo, Stormvloeden, Watersnood en Kustafslag, in: ZHB 2008; P.T. Klant en L.F. van Loo, Pettemer slachtoffer van watersnood 1953, in: ZHB 2008.
  2. J. Belonje, Het Jacob Claessesluisje, in: ZHB nr. 8 (2e jrg.), p. 4-10; L.F. van Loo, Gekrakeel in 1808 over het Jacob Claessesluisje, in: ZHB 11e jrg. nr. 4, p.18-20; J.J. Schilstra, Een plezierige 1e steenlegging (Jacob Claessesluisje 1809), in: ZHB 13e jrg.nr.3, p. 9/10; L.F. van Loo, De Jacob Claessesluis. Een verdwaald monument, in: ZHB 16e jrg.nr.1,p 4/5. Zie ook: L.F. van Loo, De Groote Sluys in Oudesluis, in: ZHB 2008.
  3. J.T.Bremer, De aanleg van het Noordhollands Kanaal doorde Zijpe, in: ZHB 8e jrg.nr.4, p.5-18; zie ook: L.F. van Loo, ’t Zand, van buitenplaats/uitspanning tot hoofddorp van de Zijpe, in: ZHB 2008.
  4. Zie het artikel van L.F. van Loo, De Kolksluis (of Zijper schutsluis) bij ’t Zand, in ZHB 2008.
  5. Zie het artikel van L.F. van Loo, Het kanaal Stolpen-Schagen-Kolhorn, in: ZHB 2008.
  6. J.T. Bremer, Van Zuiderzee tot Waddenzee. Lag Oudesluis aan de Zuiderzee of de Waddenzee?, in: ZHB 14e jrg.nr.2, p. 14-16.
  7. Zie het artikel van W. Siewertsen, Met de trekschuit van Petten naar Alkmaar, in: ZHB 2008; J.T. Bremer, Uit de tijd van de trekschuit, in: ZHB 22e jrg.nr.3, p. 3-8.
  8. Zie het artikel van L.F. van Loo, De jaagdienst (door de Zijpe) langs het Noordhollands kanaal (1825-1877), in: ZHB 2008; L.F. van Loo, Over het Noordhollands kanaal: (vlot)bruggen en pontjes, in: ZHB 2008.
  9. Zie het artikel van L.F. van Loo, De visserij, in: ZHB 2008; P. Glas, Oesters en kreeften te Petten (1750-1770), in: ZHB nr. 20 (5e jrg.), p. 8/9.


Zijper Museum, Schagerweg 97b, 1751 CB Schagerbrug
WWW: http://www.zijpermuseum.nl/
Laatste wijziging: 1 april 2008
Informatie: info@zijpermuseum.nl