Geschiedenis van Petten

Uit: Wat een pracht; Monumenten en Bezienswaardigheden in de gemeente Zijpe
Auteur: L.F. van Loo

Het huidige dorp is al het vierde Petten. Het derde, op enige honderden meters te zuidwesten van het tegenwoordige, werd op last van de Duitse bezetter in 1943 afgebroken omdat daar de Atlantkwall moest komen — een compleet dorp verdween…

Aan het begin van de 15e eeuw was er sprake van Petten aan de Zijpe (Pethem bi der Zipe) — het meest noordelijk; in de eerste helft van de 14e eeuw zou het gelijktijdig met het verzanden van de Zijpe-monding verlaten of ondergestoven zijn. Voorts lag toen wat zuidelijker Petten aan het Hondsbos, dat in 1421 bij de Elisabethsvloed verloren ging. Het meest zuidelijk lag Petten in Nolmerban, waarschijnlijk in 1452 verloren gegaan.

Petten aan het Hondsbos was het eerste Petten. Het tweede Petten, oostelijk van het eerste, spoelde weg in 1625 — ruim honderd huizen verdwenen toen.

Het begin

Hoe oud het eerste Petten was weten we niet. Het zou van voor 270 na Chr. kunnen dateren. Zeker is wel dat Petten minstens 1250 jaar oud is, dat wil zeggen dat het eerste Petten er zeker was in 739, toen Willibrord (sinds 695 bisschop van Utrecht) bij zijn dood onder meer de kerk van Petten met alle daaraan verbonden inkomsten naliet aan een abdij in het Luxemburgse Echternach.

Eerste kerkje

In de 8e eeuw werden onder Willibrord in deze streken de eerste houten Christenkerkjes gebouwd, zo ook te Petten. En waar een kerk staat is een dorp. Dit alles is op te maken uit een oorkonde van 1063, waaruit blijkt dat te Pethem een zogenaamde moederkerk, dat wil zeggen een kerkelijk bestuurscentrum met eigen inkomsten, was.

De kerk was eeuwenlang de concentratie van macht, kennis en bezit — zulks met koninklijke goedkeuring van de Frankische vorsten. Het ‘kerspel’ was de laagste bestuurseenheid. ‘Petten’ bestond toen mede uit Schoorl, Bergen, Geestmerambacht (met Warmenhuizen) en Sint Maarten.

Graven van Holland

Omstreeks 1100 veranderde de situatie. De keizer zat doorgaans ver weg in Italie of Duitsland en op gewestelijk niveau moest de bisschop van Utrecht een deel van zijn macht afstaan aan de graven. Een graaf van Holland gaf in 1388 het eerste octrooi tot bedijking van de Zijpe uit (‘recht van aanwas’) en in 1438 kregen de inwoners van Petten, Groede en Kamp toestemming van de graaf om een poldermolen te bouwen (‘windrecht’).

Heerlijkheden

In de tweede helft van de 13e eeuw begonnen de Hollandse graven dorpsgebieden in leen uit te geven aan hun getrouwen. Zo ontstonden de heerlijkheden, waarvan er sommige zoals Petten, door de verwerving van de hoge jurisdictie tot een soort autonoom gebied werden, vergelijkbaar met de steden.

Zo kwam Petten in handen van de heren van Egmond. In 1317 gaf heer Wouter van Egmond “dat schoutambacht van Petten ende van de Zijpe” in erfleen aan Claes Jansz. van Petten. Dat geschiedde op dezelfde voorwaarden als waaronder Claes’ voorouders het van heer Wouters voorouders in leen hadden gekregen; blijkbaar bestond de band al lang.

Nolmerban, niet meer dan een strook land tussen de smalle duinenrij en het waddengebied van de Zijpe, viel rechtstreeks onder de grafelijkheid (Holland) en vormde tot 1401 een geheel met Groet (en waarschijnlijk ook met Kamp = Camperduin).

Petten was, zonder Nolmerban, tot 1568 ‘onversterflijk erfleen’ in handen van de heren van Egmond. Toen volgde een lange, treurige weg van confiscatie, verwoesting en verwaarlozing, alsmede slepende processen tussen schuldeisers en erven. De hele 17e (Gouden) eeuw volgden de oude en nieuwe heren van Petten elkaar op. Pas in 1696 werden Petten en Nolmerban opnieuw in leen uitgegeven aan een Egmond, te weten Gerard van Egmond van der Nieuburgh, burgemeester en raad der stad Alkmaar. De koopprijs was 15.000 gulden. De Van Egmonds en sedert 1743 door vererving het geslacht Van Foreest, bleven tot aan de Franse tijd de eigenaren.

De Bataafse grondwet van 1798 maakte een eind aan het leenstelsel en de heerlijke rechten in hun volle omvang. Na 1813 herleefden ze nog wel enigszins, maar sinds de nieuwe grondwet van 1848 zijn de eraan verbonden rechten afgesleten. Bovendien werd ook Petten in 1851 een echte gemeente met een gekozen bestuur.

Bestaansmiddelen

Waar leefden de Pettemers van? Al in de middeleeuwen was de visserij een belangrijke bron van inkomsten; de agrarische revenuen waren eeuwenlang gering. Voor 1550 verkochten Pettemer (en Callantsoger) vissers gedroogde schol op de Pinkstermarkt in Antwerpen. De Vlamingen kwamen in de 14e en 15e eeuw ook vis kopen in deze streken.

Visafslag

Petten had van oudsher een visafslag op het strand -vrijwel dagelijks werd die gehouden. Van elke daar verkochte vis werd 1/40 penning belasting betaald voor kerk en pastorie en 1/40 penning voor de vuurboet (soort kleine vuurtoren) en als verzekering voor visschuiten en verongelukten of voor het volk dat door de vijand, in oorlogstijd, gevangen werd genomen.

In de 17e eeuw verhuurden Pettemer stuurlieden en bemanningen zich aan de Enkhuizer reders voor de haringvangst bij de Shetland-eilanden in het noordwesten van de Noordzee.

Pilotage

Toen ook kwam de pilotage, het loodswezen, op, dat met name in de 18e eeuw een grote vlucht nam. Koopvaardijschepen werden beloodst naar het Texelse zeegat en de havensteden aan de verraderlijke Zuiderzee. Die pilotage was een lucratieve bezigheid, want het bracht gemiddeld f. 50 per beloodsing op voor die tijd veel geld. Een loods deed dat gemiddeld drie tot vijf keer per jaar. Was er niets te loodsen dan viste men met hetzelfde schip. De Pettemer pilotage ondervond sterke concurrentie bij het loodsen vanuit Huisduinen en Helder.

Pettemers bemoeiden zich relatief weinig met de koop- en walvisvaart; wel speelden ze een rol als handelaar op Straat Davids tussen Groenland en de Noord-Amerikaanse kust in de periode 1720-1740. Met de Eskimo’s ruilden ze allerlei gebruiksartikelen zoals messen, ketels, hemden en snuisterijen tegen walvisspek.

In de 19e eeuw leefden de Pettemers van “werk aan de zeewering en het vissen van schelpen voor wegverharding”. In de 16e eeuw hadden velen ook een boterham verdiend met werken aan de droogmakerij van de Zijpe- en Hazepolder. In de jaren dertig van deze eeuw kwam het toerisme op.

Inwoneral

Het tweede Petten telde in 1514 60 of 70 ‘haertsteden’, 200 communicanten; de bewoners hielden zich bezig “mitter zeevaart” en er waren 7 á 8 pincken (vissersbootjes) en heel weinig koeien. Maar in 1622 waren er maar liefst 1280 inwoners. In 1708 telde Oud-Petten (het derde Petten) 136 huizen; het Nieuwe Petten in de Hazepolder omvatte 48 huizen en het aantal vissersschepen was toen 23.

Tweeënveertig jaar later zijn er 17 zeeschuiten, ieder met een kok en zeven loodsen/vissers; in 1796 waren er nog 60 loodsen. Weer een halve eeuw later stonden er nog maar 78 huizen in Petten , bewoond door 86 huisgezinnen met in totaal 360 zielen. In 1926 was het inwonertal 367.

Afbraak en Wederopbouw

Zoals vermeld werd het derde Petten in de oorlog vrijwel compleet afgebroken. Alleen het koloniehuis en enkele zomerwoningen in het Korfwater mochten blijven staan. Per 1946 is men begonnen met de wederopbouw op basis van de plannen van Ir. Else F. van den Ban.