Grafstenen in de Zijpe

Uit: Wat een pracht; Monumenten en Bezienswaardigheden in de gemeente Zijpe
Auteur: L.F. van Loo

Algemeen
Tot aan het begin van de 19e eeuw was het gebruikelijk dat de (meer) aanzienlijke burgers werden begraven in de plaatselijke kerk. Wie daar een grafsteen had, was als het ware nog steeds lid van de kerkelijke gemeente en toonde in opschriften zijn geloof in hiernamaals en wederopstanding, maar wilde ook graag zijn welstand en maatschappelijke rang zien geboekstaafd.
Daarna werd het in de kerk begraven, om hygiënische redenen, verboden en kon men nog uitsluitend op kerkhoven — veelal naast de kerk — ter aarde worden besteld. In de loop van de 20e eeuw kwam het cremeren sterk op.

In de oudere kerken, zeg van voor 1800, kunnen we in de vloer dus nog grafzerken aantreffen. Ook kerkhoven hebben veel te bieden, waar het soms fraaie grafstenen van nogal eens illustere personen betreft.

Petten
De nog bestaande vloer van het in de Tweede Wereldoorlog op last van de Duitsers gesloopte kerkje van Petten omvat enkele fraaie en interessante zerken. Mr. Belonje ging al in 1930 op zoek naar wat er onder de houten vloer in de toenmalige hervormde kerk eventueel te vinden was. Hij ontdekte de zerkenvloer, die door de houten kerkvloer erboven was onttrokken aan de slijtage veroorzakende voeten van de kerkgangers.
Bij de afbraak in 1944, op bevel van de Wehrmacht, konden door de inspanningen van de Inspecteur van de Kustbescherming in Den Haag de voeting van het kerkgebouw en de zerkenvloer behouden blijven.
Het kerkhofterrein te Petten bestaat uit twee delen. Een deel is nog steeds als kerkhof in gebruik, een ander deel — de rechthoek van ongeveer 7 bij 14 meter — is de bedoelde zerkenvloer (met 69 grafstenen), thans gemeentelijk monument.

• Mattis Rogge
De grootste en oudste grafsteen herdenkt {Mattis Rogge} uit Danzig, geboren aldaar 12 september 1531, overleden in 1563 — op 14 april in dat jaar van Texel “reisende in die Siip (Zijpe) gebleven ende alhier begraven”. Hoogstwaarschijnlijk is hij verdronken bij ‘Het Torp’ (een voormalig eilandje in het zogenaamde Buitenveld, later het Koegras, bij Den Helder) en meer naar hier aangespoeld.
Op de grafsteen komt ook het familiewapen voor. De zerk is van een zeer harde steensoort gemaakt en daardoor nog zo goed bewaard gebleven, nadat de zerkenvloer na 1944 aan weer en wind werd blootgesteld. En pas onlangs weer werd beschermd.
Mattis Rogge moet een telg uit een vermogend geslacht zijn geweest. De steen heeft niet altijd op de huidige plaats gelegen, maar is minstens tweemaal verplaatst: in 1625 bij de aanleg van het derde Petten en in 1704 bij de bouw van de kruiskerk verder landinwaarts. In 1846-1848 werd op dezelfde plaats een nieuwe kleinere kerk gebouwd en kan de steen op zijn plaats zijn gebleven.

• Hendrik Jansz. Hoed
Ook is hier de zerk van Hendrik Jansz. Hoed te vinden. Hoed was afslager van de zeevis van 1730 tot aan zijn dood in 1771. Zijn dochter Maartje is onder andere getrouwd geweest met Pieter Langendijk, burgemeester van Petten van 1809 tot 1846. De overgrootvader van H.J. Hoed was in 1660 ook al afslager te Petten, evenals diens zoon en kleinzoon. Zij waren door het huwelijk verbonden met andere belangrijke ambten, zoals baljuw, schout en secretaris.
Petten telde in vroeger eeuwen heel wat vissers en had sinds 1388 een afslag voor de eigen en vreemde visserlui, op het strand. De Heer van Petten had het recht om een afslager voor de zeevis te benoemen, die de aangevoerde vis verkocht. De visafslag was belangrijk voor het dorp en had vrijwel dagelijks eeuwenlang plaats. Vissers, voerlieden, visventers en huisvrouwen troffen elkaar op het strand. Van alle verkochte vis werd 1/40 penning betaald voor kerk en pastorie van Petten en 1/40 voor de vuurboet en “tevens assurantie voor visscherschuijten welke verongelukten” of voor het volk dat door de vijand werd gevangen genomen.

Maar in de 18e eeuw liep deze bedrijvigheid in Petten nogal terug: van de vroegere twintig vissersschuiten waren er in 1776 nog maar tien over. Ten tijde van H.J. Hoed was er ook een visafslag (voor “vreemde visch” – dat wil zeggen door lieden van elders aangevoerd) in de Hazepolder. Ook daar was Hoed afslager.

N.B.: In het Zijper Museum te Schagerbrug is een 17e of 19e eeuwse afbeelding van de Pettemer visafslag te zien op het fraaie paneel uit de voormalige kerk van Petten.

Sint Maartensbrug
Ook in de oudste nog bestaande kerk van de Zijpe- en Hazepolder (uit 1696) bevinden zich grafzerken in de vloer. Twee fraaie exemplaren te voorschijn:

• Aelbert Jansz

AELBERT IANS DIJCKGRAEF VANT HONTSBOS ENDE WTWATE
STARF DE 26 MEY 1605

De oudste steen met een fraai wapen is van Aelbert Jansz. Via P. Dekkers Oude Boerderijen (deel 2b, p. 1125 o.m.) is te achterhalen dat hij vanaf 1597 (de definitieve bedijking) grond bezat in de Zijpe (in de polder K) en bij de kluft naar Callantsoog (in de polder Middel T) samen met Mr. Adriaan Anthonisz. (een Alkmaarse regent) en Jan Leneartsz. de Vogel (een vermogende koopman, die in 1599 te Amsterdam overleed). In 1602 deed Mr. Anthonisz. zijn deel over aan Aelbert Jansz. en de erven van Jan de Vogel. Drie jaar later ontvingen de erfgenamen van Jan de Vogel bij erfenis het part van Aelbert Jansz., die in 1602 woonachtig was te Purmerend. De Vogel en Jansz. waren dus verwanten van elkaar.

• Pieter van Rijswijck
Het grafzerk van Pieter van Rijswijck (1637-1725) is ook weer met een wapen versierd.

PITER VAN RIJSWIJCK
OUT SIJNDE 88 JAEREN EN 4 MAENDEN
IS IN DEN HEERE GERUST DEN 22 OCTOBR 1725

Van Rijswijck woonde aanvankelijk te Alkmaar aan de noordzijde van het Verdronkenoord in het huis ‘De Starrecroon’ en was president-kerkmeester van de Alkmaarse Grote Kerk; ook staat hij vermeld als kapitein van een compagnie voetknechten “ten dienste dezer landen”.

In 1693 kocht hij land aan de Grote Sloot te Oudesluis (thans nr. 486) en bezat hij ook gronden aan de overkant (thans nr. 445 — Keinsmerbrug/Schagerbrug). In 1699 werd het buiten Jagerslust (in de polder V hoek Bosweg/ Keinsmerweg) aangeschaft.

Van Rijswijck was sinds 1695 heemraad van de polder Zijpe. Eerst was hij gehuwd met Caecilia Hendricksd. Heijckens, dochter van een Alkmaarse regent (vele jaren schepen), die sinds 1652 heemraad van de Zijpe was, waar hij diverse bezittingen had. Later trouwde Pieter van Rijswijck met Hester Goulart.

Op de Openbare Begraafplaats naast de kerk bevindt zich de grafsteen van:

• Willem ‘t Hart (1750 St. Maartensbrug – 1830)

De zerk hiervan is bijzonder fraai versierd met een zwaar beladen driemaster, zeilend over volle zee, uitgevoerd in hoog reliëf. De beeldhouwer zou heel goed Bottemanne uit Alkmaar kunnen zijn geweest .

Willem ‘t Hart stamde af van zeelieden uit Callantsoog. Ook hij ging naar zee en wel ter walvisvaart op de ‘Groendlandse vloot’. Op zijn 25ste was hij al commandeur (schipper) van de ‘Wisselvalligheid’ van de rederij Simon Beets uit De Rijp. Toen dit schip al in 1776 werd verkocht stapte ‘t Hart over op de handelsvaart, weer als schipper — eerst op de Oostzee (gerst), later op West-Indië voor een Zaanse rederij. Die vaart op West-Indië was toen een soort smokkelhandel, waar schatten geld in werden verdiend. Men handelde met de Spaanse koloniën in Zuid- en de Engelse bezittingen in Noord-Amerika, maar dat was feitelijk verboden voor niet-Spanjaarden en Engelsen. Curaçao en St. Eustatius waren echter al vrij gauw stapelplaatsen voor de door de kolonisten op de Amerikaanse continenten begeerde Europese goederen, die werden geruild tegen koffie, tabak, enzovoorts. Er waren in deze regio ook kapers actief en er heersten diverse oorlogen. Kortom een gevaarlijk, maar zeer lucratief bestaan.

Willem ‘t Hart zegde in 1803 de zee vaarwel; hij ging eerst in zaken (land, huizen, inventarissen van gestrande schepen) en per 1815 werd hij rentenier — in goede doen, zoals bleek uit zijn testament. Na zijn dood op 8 december 1830 werd Willem begraven op de pas aangelegde begraafplaats naast de kerk van St. Maartensbrug. Op het graf werd later deze prachtige steen geplaatst met aan de bovenzijde de met volle zeilen varende ‘Noord-Holland’ — zijn laatste schip.

In latere jaren is deze grafsteen van de laatste rustplaats van schipper ‘t Hart verwijderd geraakt. Dertig jaar geleden werd de steen, op aandringen van P. Dekker en anderen, weer een plaatsje gegeven – niet op de juiste plek, dat kon niet meer, maar toch vormt de grafsteen zo een waardige nagedachtenis aan deze Zijper schipper.

Callantsoog
In de oudste kerk van de huidige gemeente Zijpe (eind 16e eeuw) treffen we ook interessante grafstenen (ca. 60 stuks) aan, zoals die van: •Adriaan Cornelisz. Vos
Oud schipper, overleden 2 januari 1650, ongeveer 66 jaar oud. De tekst op de zerk luidt:

Hier Leyt Begraven
Aryaen Cornelissen
Vos Out Schipper Vant
(T)ooch Is In den Heere
Gerust Den 2 Ianewarius
Anno 1650 Out Synde
Omtrent 66 Iaeren

Laat Loopen Die Loopen Lust
Ick Heb Geloopen Nu
Legh Ick in Rust

Op deze grafsteen staat een teken van twee concentrische cirkels, waarbinnen een Romeinse XI. Waarschijnlijk betekent dit dat Adriaan Vos de elfde schipper van de Callantsoger reddingsvlet was. Gezien het lange opschrift op zijn zerk was hij vermoedelijk een geacht man.

Aardig is dat op het kerkhof rond de Callantsoger kerk een steen is te zien op het graf van J. Mooy Mz (1848-1925) met ook de tekst

Laat Loopen Wie Loopen Lust
Ik heb geloopen en leg me
in rust

Het verhaal wil dat deze J. Mooy, postbode te Callantsoog van 1888 tot 1913, het opschrift op de steen van Adriaan Vos in de kerk zo mooi vond en ook zo van toepassing op zijn eigen situatie, dat hij hetzelfde opschrift op zijn steen liet beitelen — 275 jaar na het overlijden van A. Vos. Mooy had wat afgelopen als postbode. ‘s Morgens vroeg moest hij de post halen in ‘t Zand en vervolgens door de gemeente bestellen; post van Callantsoog voor elders moest dan weer naar ‘t Zand worden gebracht. En dat alles te voet …

• Dirck Burger van Schoorel
Van deze te Schoorl geboren en in 1717 te Callantsoog gestorven geschiedschrijver is verder alleen bekend dat hij chirurgijn in de Zijpe is geweest.
Van zijn hand verschenen drie kronieken:
1. Een kleine kroniek lopende van 1642 tot 1678 over Wieringen, de bedijking van de Wieringerwaard en diverse oude geschiedenissen die op verscheidene plaatsen zijn voorgevallen. Uitgegeven te Enkhuizen in of na 1678 [16 pagina’s], Leiden 1941 (facs.); Rotterdam [1730?].
Van dezelfde omvang, hetzelfde formaat en dezelfde aard is de zogenaamde Schooreler Kronyck, Alkmaar zonder jaartal. Mogelijk is dit een vrije bewerking naar het boekje van Burgher van Schoorel.
2. Chronyk van de stad Medemblik, Amsterdam 1710 [368 pagina’s]; Hoorn 1728 (verm.), 2 dln. 1736, 1767.
Dit boek bevat ook: Chronyk van de Zijpe “Naamsoorzaak, gelegentheid, eerste inbreuk, eerste bedijking, tweede bedijking, den tweeden inbreuk, derde bedijking met den vierden inbreuk, den vierde bedijking met deszels inbreuk, grootte vrugtbaarheid XC” (p. 172 t/m 178).
N.B. Een exemplaar van deze kroniek is te zien in het Zijper Museum, waar ook een fotocopie van het gedeelte over de Zijpe ter inzage is.
3. Chronyk van de gansche oude heerlijkheid van het dorp Schagen, waarin vertoont werd het begin en opkomst, en wanneer het eerst bewoont is geweest, waar dat haar naam en wapen van daan komt, beneffens alle haare privilegie en hantvesten, wanneer het slot is gebouwt, hoe veel heeren dit dorp hebben geregeert, en van wat heer het noch tegenwoordig geregeert wert. Amsterdam 1710 [147 pagina’s]; Hoorn [1728]. [1736]. 1767.

• John Wright en Charles N.P. Moxon
De 47-jarige hofmeester Wright en de 17-jarige leerling Moxon (zoon van een arts in Great Yarmouth), kwamen in januari 1890 om bij het vergaan van hun schip de ‘Loch Moidart’. Dat schip, met als thuishaven Glasgow, was op weg met salpeter van Pisagua naar Hamburg. De viermaster van 2081 ton, gebouwd in 1881 te Glasgow, had een lengte van ruim 87 meter en een breedte van bijna 13 meter en bevatte twee dekken; er waren 32 man aan boord.

In de nacht van 26 januari 1890 strandde het schip bij hevige zuidwester storm op 400 meter bezuiden strandpaal 15 op de buitenbank. De volgende morgen nam het reddingswerk een aanvang, maar het wilde niet erg vlotten. Met vuurpijlen probeerde men vanaf het Callantsoger strand een lijn naar het schip te schieten en ook de inmiddels gearriveerde Pettemer reddingsboot trachtte verbinding met het schip te krijgen. Dat lukte niet, waarop vijf man met de ‘scheepsboot’ het schip verlieten. Dat bootje sloeg echter om; drie man verdronken en twee spoelden meer dood dan levend aan op het strand. De overige opvarenden waren in het tuig gevlucht, luid om hulp roepend, wat door de redders goed te horen was, maar door het noodweer konden die niets doen.

‘s Middags om drie uur gingen de masten overboord waarna de 27 zeelui een jammerlijk einde vonden in de golven. Kort daarop verdween ook het sterke ijzeren schip door de enorme kracht van de golven in stukken in zee. De sleepboot ‘Hercules’ met op sleeptouw de reddingsboot uit Den Helder kon niets meer ontdekken van de ‘Loch Moidart’.

De lijken van de twee genoemde (John Wright en Charles Moxon) spoelden aan op het strand van Callantsoog en werden aldaar begraven.

Volgens de Schager Courant van 23 janauri 1991 probeert de Historische Vereniging Callantsoog dit werk op de Monumentenlijst te krijgen om het zo voor het nageslacht te kunnen bewaren. Ook zijn contacten gelegd met Great Yarmouth om eventuele nabestaanden te kunnen informeren.