|
Schagen/Zijpe --- Er komt een monument voor de
familie Niestadt, het bekendste fotografengeslacht van Nederland waarmee
wel twintig beroemde fotografenfamilies directe bloedlijnen bezitten.
Overal ter wereld van Australië tot Costa Rica zijn fotografen actief
met dezelfde achternaam. De bakermat van de Nederlandse familie Niestadt
ligt in Sint Maartensbrug. In het kader van het 4OO-jarig bestaan eert
de gemeente Zijpe haar beroemde ingezetenen. Dat gebeurt met de
onthulling van een kunstwerk van beeldend kunstenaar Henk op ten Berg
uit Hippolytushoef. Op donderdag 29 januari 1998 om 14.00 uur. Door
het standbeeld worden ook met name de inmiddels overleden Willem en
Lubert Niestadt geëerd, persfotografen te Schagen voor de Schager
Courant, die vijftig jaar lang het wel en wee fotografeerden in de vele
gemeenten in de Kop van Noord-Holland.
Wilhelm en Lubertie
De fotografie in ons land kwam rond 1860 langzaam op gang. Ook op het
platteland vestigden zich de eerste beroepsfotografen. Eén daarvan was
Gerhard Bernhard Heinrich Niestadt. Gerhards vader was Wilhelm Heinrich
Niestadt, die zich in 1850 in Sint Maartensbrug vestigde.
Het verhaal is
eigenlijk al beroemd: op 16-jarige leeftijd kocht Gerhard Bernhard een
verrekijkertje op de kermis van Schagerbrug. Hiermee knutselde hij
zijn eerste camera in elkaar. De benodigde goud- en zilverbaden werden
verkregen door het oplossen van gouden en zilveren munten. In 1862 begon
Gerhard zijn hobby als nevenberoep uit te oefenen. Samen met zijn
jongere broer Wilhelm Diederich. Aanvankelijk in Dirkshorn vestigde hij
zich later met een atelier aan de Schager Molenstraat. Gerhard Bernhard
was ongetwijfeld een van de meest begenadigde fotografen. Daarbij had
hij technisch geniale kanten. Zo ontwikkelde hij de driekleurencamera,
een unicum in die tijd. Ook ontwierp
hij net als Bel1 zijn eigen telefoontoestel. Hij vertrok in 1898 naar
Delft en deed zijn zaak over aan zijn broer Wilhelm Diederich. Deze
had een zoon Wilhelm Heinrich. Deze trouwde na zijn leertijd met
Maaike van Rijswijk uit Anna Paulowna. Het echtpaar kreeg drie
zoons: Wilhelm, Lubertie en Henri. De laatste stierf jong. Wilhelm
en Luberti waren onafscheidelijk. Lubertie bleef ongetrouwd en stierf op
15 november 1985.
Willem trouwde wel. Met Maria Smit die in Schagen een dameskapsalon
had. Voorts was hij zeventien jaar lang wethouder van Schagen en
bekleedde hij diverse functies in hoofdbesturen van middenstands- en
ondernemersverenigingen.
Waar Lubertie altijd met veel ontzag over sprake. Nadat Willem was
overleden was voor Lubertie de lol eraf. Lubertie die een bijna
onwereldse bewondering voor zijn grote broer had kon eenvoudig weg niet
zonder hem. Hij hield het maar een paar jaar alleen vol in een
aanleunwoning.
|
Schagen. Een slaperig WestFries provincieplaatsje. Het redactielokaal
van de Schager Courant bevond zich op de eerste
verdieping van een naargeestig ogend dagbladkantoor, dat was
gevestigd in een woonhuis. Het was slechts te bereiken via een lange
steile trap,
die leidde naar een donker soort overloop. Binnen, op de redactie, waar
de hele dag schelwit neonlicht brandde, een zestal bureaus waarop de
werkpaarden uit de schrijfmachine-industrie stonden. 'Dikke Bertha's',
die hun letters als mitrailleurs op het papier konden spugen als het
tegen de sluiting van de krant liep. Typemachines, waaraan voorover
gebogen in hun stoelen, voortdurend rokende mensen werkten, met elkaar
fluisterden en af en toe voorzichtig om zich heen spiedden.
In het armzalig ingerichte vertrek hing de geur van eeuwig natte regenjassen,
zuur zweet, gezoete pijptabak en oude telefoonboeken. Metaalachtig getik
van schrijfmachines, geritsel van kopijpapier, aangevuld met halve in
vettige telefoons ingesproken dialogen over een breed scala van
regionale onderwerpen, completeerden dit sfeer- en geluidsbeeld.
Enkele malen per dag aangevuld door klokkend ingeschonken mokken koffie
en het borrelende geluid van een ijzeren
plantengieter, waarmee het leven werd gerekt van trieste hangplanten,
die her en der door het vertrek op oude schoteltjes stonden en hun
groengele bladeren mistroostig en moedeloos naar beneden lieten hangen.
Gespannen stilte
Soms werd de gespannen stilte plotseling verstoord,
omdat iemand een vel papier uit zijn schrijfmachine trok en een
eerbiedige gang inzette naar het vrijstaande bureau van de chef.
'Meneer, mijn stukje is klaar..' Waarna slechts een extra wolk
blauwe rook uit de pijp aangaf, dat de nederige boodschap was
overgekomen. Het gereedgekomen bericht verdween vervolgens gevouwen en
wel op een stapeltje eendere A-viertjes, die op hun beurt al klaar
lagen op een vuurrode envelop. Dit ogenschijnlijk armzalige stapeltje
papier was, in al zijn eenvoud, het heilige der heiligen op de redactie:
de treinbrief,
die de kopij voor de krant, van de volgende dag zou bevatten. De
vuurrode envelop, waarmee de drie nieuwspagina's van de krant elke dag
per trein naar Alkmaar werden gestuurd. Met de foto's, die door
Fotografie Niestadt elke dag rond vijf uur werden aangeleverd. Foto's,
die -- althans vanuit het oogpunt van de redactie -- de memorabele
gebeurtenissen van die dag weergaven. Kopij en foto's verdwenen in de
treinbrief en werden uiteindelijk door de jongste verslaggever ten teken
van zijn nietswaardigheid naar de trein gebracht. Daar werd de envelop
bij (streep het gewenste weerbeeld aan) storm, dichte mist, ijzel,
sneeuw, motregen, stortregen, hagel, gevoelstemperaturen van min veertig
of tropische van plus veertig in ontvangst genomen door de conducteur,
die het Schager nieuws vervolgens met een glimlach in een daartoe
bestemde brievenbus op het station van Alkmaar deponeerde. Hier werd de
brief uit opgepikt door een koerier, die het Schager nieuws naar de
centrale redactie bracht, waar het werd uitgepakt en verwerkt.
Mysterieus pandje
Fotografie Niestadt werd gedreven door twee broers, Willem en Lubert.
Hun zaak was gevestigd in een mysterieus pandje aan de Gedempte Gracht,
waar de kostelijke foto van een steigerend wit paard als teken van
vakmanschap al zo'n jaar of dertig in de etalage hing. Binnen hingen er
nog meer. Prachtig fotografisch epos van de Schager samenleving. Het
ging allemaal verloren bij een brand. Willem en Lubert deden alles
samen. Als ze op pad gingen stapten ze met zijn tweeën in de gele
Volkwagen Kever. Lubert aan het stuur, Willem als
adviseur/raadgever/kaartkenner
daarnaast. Hun optreden als fotografen had iets koddigs, omdat ze
ondanks hun leeftijd altijd eerst het snelle fotostandje
aannamen (met de doorgezakte heup) en dan pas knipten. Hoewel Lubert de
fotograaf was sjouwde ook Willem een handzame camera met zich mee
waarbij ook hij vanuit andere hoeken opnamen maakte. Boze tongen beweren
dat hij wel knipte maar geen film in zijn toestel had, om op de een of
andere manier de fiscus bij de neus te nemen. Hoe dat ook zij, was de
foto eenmaal gemaakt dan was het altijd Lubert die het sein gaf tot een
ongekend gehaaste aftocht.
'Afdrukken Willem'. Want, ook al sliepen Schagen en zijn bewoners rustig
door op de cadans van de tijd, de Niesteden waren persfotograaf. En zo'n
fotograaf heeft altijd haast. Alhoewel het voor jonge journalisten, die
gewend waren aan het beeld van de persfotograaf als agressieve,
scheldende voor de beste plaat knokkende zuiper en wijvengek, wel een
schok was. Om vijf uur 's middags werden ze voor het eerst met het
fenomeen Niestadt geconfronteerd. Een roffel op de trap alsof er een
losgebroken paard naar boven kwam, waarna uit de openslaande deur een
krommig mannetje in een groene loden jasje verscheen. Dat zwijgend en
bevangen van een haast tastbare 24 karaat haat drie foto's op hèt
centrale bureau op de redactie neerlegde.
Grote schaar
Waar men al met een grote schaar klaar zat. Om met een 'zooooooo' voor
zijn ogen de aangeleverde foto's in stukken te knippen. Want, dan kon-ie
namelijk twee keer worden gebruikt. Stonden er drie mannen op rij op
de foto, dan knipte de schaar de foto geroutineerd in drie stukken.
Lubert zei niets gedurende dat ritueel. Maar nam op zijn manier wraak
met het goedkoopste fotopapier en oude fixeer. Het ontwikkelen van zijn
foto's noemde hij dan vaak ook gekscherend: 'Ik ga het zaakje even door
de groentesoep halen!' De kreet op locatie galmt dan ook nog na:
'Afdrukken Willem, op naar de groentesoep'.
Het bijtekenen van foto's was zijn handelsmerk. Eerst gebeurde dat
voorzichtig met potlood. Later bijna onbehouwen met ballpoint. Was er
bij een voetbalwedstrijd geen bal te zien, geen nood, daar had
Niestadt een stapeltje gefotografeerde ballen voor zich liggen. Die plakte
hij dan schaamteloos op de foto. De prijs voor de foto's was naar zijn
oordeel te laag om daar een half uur te gaan zitten wachten. Na de
overhandiging van de foto's begon hij steevast omstandig zijn neus te
snuiten. En vervolgens verdween hij met een lachje dat het best kan
worden omschreven als 'nngiginnggigggggiigii' naar buiten. Zo snel als
zijn kleine beentjes hem konden dragen.
Zowel Willem als Lubert was een heer met een zekere stijl. Ze waren
eigenlijk een beetje in de tijdmachine blijven steken ook. Willem, de
langste, mat toch gauw zo'n 1.80 mtr. Bij Lubert, de kleinste bleef de
maatlat zo'n beetje bij 1.65 mtr steken. Op de Schager redactie was
Lubert een begrip, een fenomeen. Willem zag je er zelden. Die bleef
altijd beneden wachten in de gele Kever als Lubert de foto's om vijf uur
'omhoog' bracht naar de redactie.
Pepermuntje?
Voor jonge journalisten waren de Niesteden een absolute crime als er
ergens een 'diepte-interview' moest worden gedaan. Want eenmaal binnen
en de pen net gereed om de eerste
vraag af te vuren, namen de Niesteden het gesprek geroutineerd over om
na drie uur volkomen sufgeluld te zijn over onderwerpen die niets met
het interview te maken hadden, werd dan de terugreis weer aanvaard. In
de gele Kever. En als dan het lawaaierige luchtgekoelde Kevermotortje
weer gezellig pruttelend snorde en de prachtige groene Schager dreven
zich in de kleine raampjes van de Volkswagen spiegelden en voorbij
schoten, draaide Willem zich om naar het volkomen wanhopige aanstormende
journalistieke talent op de achterbank en zei: 'Pepermuntje?'
Kende je ze, dan bleken Lubert en Willem zo ondeugend als jonge honden.
Ze 'gingen' voor een goede krantenfoto. Bij nacht en ontij waren ze op
pad. Ondanks hun klimmende leeftijd. Bij branden of geheimzinnige
militaire oefeningen in de duinen bij Groote Keeten klommen ze over
prikkeldraad of verzonnen smoezen. Soms dienden ze te rennen 'voor hun
leven' om niet te worden opgepakt door marechaussee. Want het motto was:
er móét een foto
komen. En daar hielden ze zich aan. De verhalen zijn legio en gedateerd.
Toch ook als je eraan terugdenkt warm en innemend. Lubert moet een
dikbil fotograferen, maar de stier gaat op zijn voet staan. Hij zegt
niets, maakt eerst zijn foto en rent dan naar huis om voet met sok en
schoen en al in een emmer ijskoud water te zetten. Te laat. Hij krijgt
zijn voet niet meer uit zijn schoenen moet zo dagen lopen. Dan dat van
die restauratie van een kerk. Lubert stikt van de hoogtevrees. Maar moet
en zal de ladder op. Want dè plaat ligt in de nieuwe dakgoot van de kerk
in 't verschiet. Nadat de foto was gemaakt moet de brandweer eraan te
pas komen.
Nu griezelig: Willem en Lubert moeten voor een overheidsdienst een lijk
fotograferen van een overboord geslagen zeeman in Callantsoog. Het
overschot ligt in het rouwhuisje in duin, maar daar is het te donker.
Geen nood. Ze sjouwen het lijk even naar buiten. Een filmbeeld verder:
Lubert heeft nog steeds de romp vast en Willem loopt met twee losse
benen naar buiten.
'Oudelsuis'
Toch is dit het mooiste. De regen spoelt van de ramen en op de redactie
valt het woord Oudesluis uit. Plotseling beginnen Luberts ogen te
glimmen en klimt hij op wat stoelen die hij
tegen elkaar zet, waarvan enkele wat scheef staan om het decor echt te
maken. En dan vertelt hij zwaaiend en worstelend tegen zware zeegang het
verbijsterende verhaal van de trouwe koopvaarder Flying Dutchman, met
aan het roer schipper Curt Carlsen, die in het Kanaal in een ziedende
storm vergaat. Een verhaal dat hem ooit in grote dronkenschap in De
Taveerne in Oudelsuis (voor intimi) is verteld. De Niesteden, zoals ze
in brede kring werden genoemd hadden twee aartsvijanden. De toen net
beginnende Winkeler fotograaf John Oud en Jan Louwe, de vaste fotograaf
van het katholieke Noordhollands Dagblad. John Oud was niet zo'n
probleem. Die mocht op de krant niet worden ingehuurd. Zijn
visitekaartje met 'Fotografie Maison Modern' lag in een bureaula met een
groot zwart kruis erover heen. Maar met Louwe lag dat anders. Hadden de
Niesteden nèt de opstelling klaar om de jubilaris te fotograferen, dan
zag deze zijn kans schoon om breed voor hen te gaan staan en precies
dezelfde plaat te maken. En aangezien dezelfde plaat in twee elkaar op
leven en dood beconcurrerende streekbladen niet kon, diende ter plekke
een nieuwe invalshoek te worden bedacht. En het behoeft dan ook geen
betoog, dat de volgende keer Louwe discreet maar efficiënt in de
struiken verdween.
|