(Stolp-)boerderijen in de Zijpe

Uit: Wat een pracht; Monumenten en Bezienswaardigheden in de gemeente Zijpe
Door: L.F. van Loo

In het huidige boerderij-onderzoek worden voor Nederland drie basistypen onderscheiden. Het Friese boerenhuis, de hallenhuisgroep in Midden-Nederland en het zuidelijke type in Limburg, waartoe de gesloten hoeve behoort. Binnen deze drie belangrijkste huisgroepen bestaat een enorme variatie aan vormen.
Aanvankelijk moesten de boerderijen vaak vernieuwd worden als gevolg van de slechte bodem en het gebruik van bouwmaterialen als leem, riet en inferieur hout. Pas sedert de 16e en 17e eeuw is baksteen in zwang gekomen.

De ‘Friesehuisgroep’ treffen we aan in Noord-Holland (boven het Noordzeekanaal en in de Haarlemmermeer), in Friesland en Groningen, alsmede op de Waddeneilanden. Kenmerkend voor Noord-Holland is de stolpboerderij met zijn vierkante plattegrond en eenvoudige indeling. Om een vierkante tasruimte (hooiopslag), gemarkeerd door vier grote houten stijlen, zijn de woon- en bedrijfsruimten gegroepeerd. Het dak loopt naar boven toe in een punt en is meestal gedekt met riet.

De piramidale stolpvorm was een zeer slimme oplossing om wonen, stal en oogstberging te combineren. Deze nieuwe vorm verspreidde zich snel in de nieuwe droogmakerijen van de 17e eeuw (Beemster, Purmer en Schermer, o.m.). Net als de zijpe (1597) waren deze inpolderingen tot stand gekomen middels stedelijke investeringen en was de grond in handen gekomen van onder meer rijke kooplieden/regenten uit Amsterdam en Alkmaar. Zij gaven opdracht tot de bouw van de meeste polderboerderijen en zagen wel brood in de efficiente stolp.

Vooral tussen 1850 en 1880, een gouden tijd voor de agrariers, was er een stormachtige toename van het aantal stolpen, die toen de vorm kregen die we nu nog algemeen tegenkomen. Nogal wat van de toen (de tijd van de Romantiek) gebouwde stolpen werden versierd met ornamenten die opvallen door hun uitbundige vormen. Boven de verhoogde middenpartijen van de voorgevels, waar vaak bescheiden slaapkamertjes voor personeel werden ondergebracht, zijn aan de buitenkant tempeltympanen aangebracht met talrijke ranken, verfijnd als kantwerk. Soms steekt boven deze kunstige versieringen een cilindervormige schoorsteen uit het dakvlak met spiraalvormige, geel gekleurde baksteenbanden. Deze ronde schoorsteen, die qua vorm al teruggaat tot de renaissance, steunt op een achtkantig tussenstuk, overgaand in een vierkante voet en wordt aan de bovenzijde afgedekt door een schaalvormige stenen lijst. We zien ze helaas nog maar betrekkelijk zelden.

Riet wordt reeds duizenden jaren als dakbedekking gebruikt, mede omdat het in de directe omgeving gewonnen kon worden. Het lichte gewicht is een voordeel, evenals de eenvoudige constructie en het relatief gladde oppervlak, waardoor rieten daken zeer stromvast zijn en bovendien volkomen waterdicht, waarbij het wel uitwasemt.

In onze streken zien we veel stolpen met riet en dakpannen. De dakpannen liggen dan meestal boven het woongedeelte, waar het brandgevaar groter en de uitwaseming (van het vee) niet van toepassing is. Enkele rijen pannen aan de onderzijde zorgen ervoor dat het regenwater gemakkelijk in een goot kan worden opgevangen. De ‘spiegel’, uitgesneden of eigenlijk geklopte lijn tussen riet en dakpannen, levert fraaie en karakteristieke vormen op.

Een rieten dak, wel brandgevaarlijker dan pannen, gaat, afhankelijk van wind- en regenzijde, zo’n 25 tot 40 jaar mee. Vanuit technische en architectonische overwegingen blijft er vraag naar rieten daken en het rietdekkersvak is dan ook gelukkig niet uitgestorven. Een alleen met pannen gedekte stolp torst tussen de 3500 en 10.000 dakpannen en is vatbaar voor stormen.

Na 1945 namen de bedreigingen voor de stolp toe, zeker de laatyste twintig jaar. Door sloop, brand en ingrijpende veranderingen gaan er zo’n 50 per jaar verloren. De stolp kon zich indertijd handhaven door aanpassingen aan de eisen van bedrijfsvoering en het gewenste wooncomfort. Maar voor het eerst in de geschiedenis zijn deze eisen zo snel en zo totaal veranderd dat velen twijfelen aan de mogelijkheden tot aanpassing. Dan dreigt het gevaar van afbraak of ondeskundige verbouw.

Wat is er aan de hand? Bewoners van stolpen waren tot voor vrij kort allen agrariers en voor bijna 90 procent veehouders. De stolp was woning, stal en opslag van hooi. Maar ze werden te klein of te ouderwets voor de moderne veehouderij. De veehouder die een moderne loopstal bouwde, bleef soms nog op de stolp wonen, soms werd de oude boerderij verkocht aan een stedeling, die er middels kostbare verbouwingen een leefbare woning van trachtte te maken. Daarbij werden het karakter en de eenvoudige hoofdvorm van de stolp nogal eens aangetast door zaken als dakvensters en glaspuien. Denk ook aan de tot kitscherige ‘poenhoeves’ misvormde stolpen.

Een andere riskante ontwikkeling van de laatste tijd is de waterpeilverlaging. Daardoor kan het houtwerk gaan rotten en de fundering van de stolp verzakken met alle gevolgen van dien. Ook scheuren in de muren kunnen er een gevolg van zijn, al valt dat heel moeilijk te bewijzen.

Ondanks de genoemde bedreigingen zijn er gelukkig nog zo’n ruim 3800 stolpen in Noord-Holland, waarvan circa 300 als erkend monument. Hoe is het met de stolp gesteld in de gemeente Zijpe? eerst nog even terug in het verleden. Aanvankelijk weden hier, blijkens de kaart van Doetecomius, nog bijna uitsluitend boerderijen van het langgeveltype gebouwd, meestal van hout. Maar op de kaart van Zoutman uit 1664 is de sterke opkomst van de (stenen) stolp al duidelijk te zien.

Thans vinden we in deze gemeente nog bijna 300 stolpen. Alleen in de zijpe staan er al 235, in (de voormalige gemeente) Callantsoog 58. In totaal zijn er 35 met ‘dakspiegel’, 10 met de traditionele ronde schoorsteen en 81 die een “origineel aanzien” vertonen. Voorts werden 23 topgevels en 133 stolpen met uitsluitend een woonbestemming geteld.

Het MIP-project 1850-1940, uitgevoerd door de provincies, leidde wat de gemeente Zijpe betreft tot een lijst van 76 (stolp)boerderijen, waaronder 19 in Callantsoog. Ze zijn hierna, met een beknopte omschrijving, opgenomen.

Dankzij het werk van P. Dekker, dat zijn neerslag kreeg in de op zich al monumentale werken ‘Oude boerderijen en buitenverblijven langs de Zijper Grotesloot’, delen 1, 2a en 2b (resp.Schoorl 1986, 1988 en 1991), weten we veel over een aanzienlijk deel van de stolpen alhier. Dekker beschrijft vooral de geschiedenis tot 1830 ongeveer.

Voor de periode van 1830 tot heden wordt veel werk verricht door de Werkgroep Boerderijnamen van de Historische Vereniging de Zijpe. Per boerderij worden zoveel mogelijk gegevens en foto’s of prenten verzameld, waarover geregeld in de Zijper Historie Bladen wordt gepubliceerd.

In deze gemeente zijn drie stolpboerderijen rijksmonument.

1. Belkmerweg 16, Burgerbrug (Mennonietenbuurt)
Sinds 1974 heet deze stolp ‘Het huis met de twee gezichten’; in de volksmond is sprake van ‘Op ‘t Hoekje’. Monumentenzorg omschreef het pand destijds als “aardig aan een brug gelegen, met riet dekte stolp met woonhuis en achterhuis, beiden houten top. De grootste top met snijwerk langs de bebording”.

Die brug is inmiddels verdwenen; vroeger was er ook een verbreding in de sloot om de schepen te kunnen keren. Volgens het kadaster is deze stolp sinds 1839 hhofdzakelijk van schippers geweest (soms in combinatie met een winkel), zoals de familie Schotvanger (1913-1948). Na 1948 was het van de familie Vries: vrachtrijders/transportondernemers.

Het pand zal van voor 1839 zijn, wellicht stond het er al in 1743. Bremer vermeldt dat er in dat jaar een beurtschipper “aan de Mennistebuurt” woonde, dat kan hier geweest zijn.

2. Grote Sloot 25, Burgerbrug: ‘Vroegop’ (vroeger “Het Huys te Vroech op)
Monumentenzorg: “Bij de Zijpersluis monumentaal gelegen grote, door pannen gedekte stolphoeve, waarvan de voorgevel in het midden een hoge trapgevel heeft, met twee vensters boven elkaar en drie ovale nissen. In de top een guirlande. Bouwjaar 1670, doch aan vrij veel wijzigingen onderhevig geweest”.

In 1572 stond op deze vroeg drooggevallen plek al een opstal, maar die was in 1597 verdwenen. De nauw bij de definitieve bedeijking van de Zijpe betrokken Amsterdamse koopman en reder P.H.(van) Bijlevelt, die zich in verband daarmee in 1596 te Alkmaar had gevstigd, liet in de Zijpe ‘Het Huys te Vroech op’ bouwen (in 1600 gereed) met aangebouwd voorhuis voor hem en de zijnen. Ook werd er toen een ‘plantagie’aangelegd.

In 1670 werd het herbouwd in de vorm van een stolp met heerschapsvertrekken er binnen. Bezitter was toen de Amsterdamse familie Schrijver, terwijl Jan Jansz. Kuijper het pachtte van 1674 tot 1689; hij leefde er “met vrouw, meijt en knecht”, molk 13 a 14 koeien en had 6 morgen bouwland.

Per 1738 werd de Alkmaarder J.J. Dubbeld eigenaar en bewoner, totdat de stolp in de jaren zeventig van de 18e eeuw werd gekocht door de familie De Carpentier, die meer bezittingen had in de Zijpe (onder meer Brandtwijk -zie deel I). In 1801 kwam het in handen van de Friese katholiek P.J.Polder die gehuwd was met Geertruijde Meyrink (telg uit een eveneens uit Friesland afkomstige familie met eigendommen in de Zijpe.

Van 1923 tot 1986 was Vroegop in gebruik als (vee-)boerderij door leden van de familie Dapper.

Qua in- en exterieur zijn nog te melden: de hoge blauwe stoep met twee treden voor de voordeur (‘vloedstoep’), de haard met originele tegeltjes, twee bedsteedeuren in de slaapkamer en originele balken in woon- en slaapkamer. Kortom een pracht.

3. Korte Belkmerweg 38, ‘t Zand : ‘Groenland’
“Terzijde van de oprijlaan gelegen grote met riet gedekte stolphoeve. De naar de weg gerichte wand is van hout, evenals de top boven de inrit. Walviskaken bij de ingang van het erf; op het erf een stoeppaal; zomerstal” — aldus Monumentenzorg.

De oorspronkelijke buitenplaats werd waarschijnlijk omstreeks 1640 gebouwd en was in de 18e eeuw eigendom van de Alkmaarse familie Van Kinschot. In 1773 kreeg het, als boerderij, de naam ‘Groenland’ van de uit Callantsoog afkomstige nieuwe eigenaar Dirk Hopman, sedert 1767 commandeur ter walvisvaart op Groenland, te Oudesluis. De walviskapiteins verdienden toen veel geld en zochten beleggingsmogelijkheden, terwijl de landeigenaren van elders onder meer te kampen hadden met de Engelse oorlogen en hun bezittingen op de arme zandgronden in de polder Zijpe wel kwijt wilden.

Verkoper in dit geval was P.J. Vlaar, koopman te Opmeer; voor f 4.600 kreeg Hopman deze voormalige buitenplaats, groot 44 morgen. Hij zette twee walviskaken op de oprijlaan, maar ging tot 1790 niet op de boerderij wonen. Er was toen nog een flink bos om de hoeve. Hopman kwam in het polderbestuur en werd in 1806 schepen van de Zijpe.

In de loop van de 19e eeuw werd Groenland een ‘koeboerderij’ van de familie Leeman en sinds 1893 de familie Baken. In januari 1987, “na een ingrijpende verbouwing”, vestigde de bloembollenkweker Van Lierop uit Breezand zich er.

De zojuist besproken drie stolpen zijn de oudere exemplaren die nog resten; meer recente fraaie voorbeelden zijn:

• ‘Uit den Haak’, Grote Sloot 254 te Schagerbrug
Deze zeer rijke stolp uit circa 1895 met fraai toegangshek heeft de volgende interessante details: kroonlijst langs de voorgevel, T-schuifvensters, rijk gesneden blinden, Empire decoratie boven de vensters in de voorgevel, dak met riet gedekt en spiegel met zwarte pannen, houten goot op klossen.
De boerderij maakt onderdeel uit van het voormalig Algemeen Weeshuis, thans Huize Van Strijen.

• ‘Patrimonium’, Grote Sloot 125, Burgerbrug
Rijk gedecorrerd, van circa 1870. Gestucte wenkbrauwen riond de ramen. Topgevel met fraai gesneden windveren, topvulling en makelaars. Deze boerderij is door vererving en schenking nogal eens van eigenaar gewisseld. Bij een van deze overgangen is de naam Patrimonium (vaderlijk erfgoed) eraan gegeven.

• ‘De Surinaamse Vriend’, Grote Sloot 400, Schagerbrug
Deze fraaie stolp is van 1916. Hij heeft een mooie ronde schoorsteen, net als Patrimonium trouwens, op de voorgevel en een lijst langs diezelfde gevel, alsmede een fraaie voordeur met gietijzeren levensboom in het bovenlicht.

De naam Surinaamse Vriend dateert van 1816-1822. In 1811 kwam Jan de Vries, gehuwd met Maartje Jongerling, in het bezit van de boerderij die hier eerst stond. Hij was kapitein op Surinamevaarders. Een van die schepen was een tweedeks fregat genaamd De Surinaamse Vriend, waar De Vries in 1816/17 mee voer.