![]() |
[Homepage ZM] -->
[Canon van Zijpe] -->
[719-739]
|
Dankzij eeuwenlange massale veengroei achter de duinen lag West-Nederland in 700 hoog genoeg om zonder dijken toch voldoende beschermd te zijn tegen aanvallen van de Noordzee. Op de strandwallen en in de duinen konden mensen wonen, in het veen nauwelijks, behalve bij stroompjes en op kwelders. Er was al een Petten, evenals waarschijnlijk een voorloper van Callantsoog. In het oosten van wat nu de Zijpe is, tegen waar later de Omringdijk zou komen, waren wat boerenbedoeninkjes. Daarvan zijn in 1994, bij de aanleg van de gasleiding Oudesluis-Alkmaar, de restanten gevonden.
Wat nu Noord- en Zuid-Holland is en toen onderdeel van Frisia was, was in de eerste eeuwen na het begin van de jaartelling een nauwelijks in cultuur gebrachte uithoek van Europa. Er leefden, vooral in een brede strook langs de kust, slechts zo'n 25.000 mensen, waarvan maar 9000 in wat nu Noord-Holland is. Deze mensen woonden in piepkleine agrarische nederzettinkjes of op losse hoeves. In de 5e en 6e eeuw kwamen Angelen en Saksen, afkomstig van de Duitse en Deense Noordzeekust naar hier. Maar velen trokken door naar de Britse eilanden.
Katholisering
Tegen 700 na Chr. kwamen Angelsaksische missionarissen, zoals Willibrord, Bonifatius en Adalbertus naar
hier, om de heidenen te katholiseren. Dat zou een proces van eeuwen worden. Vanaf 719 kwam het missiewerk
onder de Friezen op gang. Vijf 'Hollandse' kerken gaan terug op die beginperiode van de kerstening: van zuid
naar noord: die in Vlaardingen, Kerkwere (Oegstgeest), Velsen, Heiloo en Petten. Ze werden gesticht door de
Merovingische machthebber Karel Martel (die in 719 Zeeland, Holland en West-Friesland onder zijn controle
bracht) en andere vooraanstaande lieden en vervolgens aan Willibrord* geschonken. Die liet ze bij zijn dood
in 739 na aan zijn abdij in Echternach [Luxemburg], wat blijkt uit een 11e eeuwse oorkonde.
*Willibrord(us): geboren in Noord-Engeland omstreeks 658, overleden in Echternach in 739. Was vanaf 695, op persoonlijke titel, een tijd lang aartsbisschop van de Friezen en had als missionaris vooral gewerkt onder de Friezen die de kuststrook van wat nu Zuid- en Noord-Holland zijn bevolkten. Hij liet in Utrecht een opleidingscentrum voor geestelijken bouwen. Zijn compaan Bonifatius (vermoord in Dokkum in 754) was als missionaris actief op Wieringen en verder naar het noordoosten. Adalbertus was vooral in Kennemerland bezig.
De eerste kerkjes
Die eerste kerkjes waren eenvoudige bouwsels van hout en leem, waar plaats was voor de eredienst met een
altaar, een priester en een beperkt aantal gelovigen.
Deze kerkjes waren eigendom van de stichters, hun erfgenamen, of de geestelijke instelling waaraan ze ooit
gegeven waren. Ze dienden vooral het zielenheil van de stichter, diens verwanten en 'familia' (alle van de
stichter of diens nakomelingen afhankelijken), die de priester onderhielden. Pas in tweede instantie dienden
deze kerkjes ook het heil van eventuele andere omwonenden.
In de 9e eeuw begon in het Noorderkwartier de ontginning van het veen. Eerst vanuit Texel en Wieringen,
vervolgens geleidelijk in zuidelijke richting; Waterland was pas in de 12e eeuw aan de beurt. Vanuit het
kerkje van Petten zijn mogelijk in de ontginningen in wat nu de Kop van Noord-Holland is kapellen gesticht,
basis voor de latere parochiekerken.
De eerste kerk van Petten is tussen 1100 en 1200, wellicht in 1196 (Sint-Nicolaasvloed), geheel in zee
verdwenen.
Bronnen:
Tekst: Frank van Loo