![]() | > |
Kort na de definitieve droogmaking in 1597 was de grond in de Zijpe en Hazepolder voor 38 procent in handen van 54 Amsterdammers, 28 Alkmaarders bezaten 32%, 13 Hagenaars 15%. Tezamen 85%. Slechts 28 mensen uit de Zijpe of directe omgeving hadden toen maar 10% van de gronden in de bedijking. Ruim 150 jaar later, in 1770, bezaten 151 ingezetenen van de Zijpe 61% van de grond. Degenen met de meeste grond zaten doorgaans in het bestuur van de polders.
Het bestuur
Echte gemeenten zouden er pas vanaf 1848/51 komen, maar vanaf ca. 1800 was er iets wat er op leek:
eerst de municipaliteiten en vervolgens vanaf 1822/25 het bestuur ten plattelande. Allemaal met
benoemde leden. Gekozen kon er pas vanaf 1851 en dan aanvankelijk alleen nog door min of meer
gegoede mannen. Voordien had je de steden en stadjes zoals Alkmaar en Schagen, de heerlijkheden
zoals Petten en Callantsoog; allemaal met vroedschappen en burgemeesteren. En daarnaast dus de
polders.
De grondeigenaren (ingelanden) van de Zijpe en Hazepolder kozen uit de grootgrondbezitters in hun
midden tien hoofdingelanden, voor het leven benoemd. Het waren er tien, per oktober 1596: vijf uit
Amsterdam (waarvan er echter twee, mogelijk wegens hun belangen in de Zijpe, al snel naar Alkmaar
verhuisden), vier uit Alkmaar en een uit Den Haag. Zij hadden in alles het laatste woord. Middels
het recht van co'ptatie konden ze zelf hun collega's en opvolgers kiezen.
Het dagelijks bestuur van de polder bestond uit dijkgraaf (voor het leven benoemd), negen heemraden,
de secretaris en de penning meester (beide bezoldigd en ook voor het leven benoemd). Ze kwamen
overwegend uit Alkmaar en omgeving; tot 1795 hadden 164 van de 194 heemraden domicilie in Alkmaar.
Ze vergaderden geregeld en voor urgente zaken kon een beroep gedaan worden op de hoofdingelanden in
loco (zij die in de buurt woonden, bijv. op hun buitenverblijf in de Zijpe).
[Zie voorts
(bijvoorbeeld op de site van het Zijper Museum): L.F. van Loo, De Hoge Heren en twee Dames van (de)
Zijpe. Dijkgraven en burgemeesters plus hun symbolen vanaf 1596, Schagerbrug 2009.]
De Zijpse kamer in Alkmaar
Uitwaterende Sluizen en de Zijpe en Hazepolder hadden ieder een eigen bestuurskamer in het Alkmaarse
stadhuis aan de Langestraat. Ook vele andere waterschappen vergaderden er. Alkmaarse magistraten
zaten ook in vele polderbesturen, de stad lag centraal en was marktplaats, waar velen geregeld kwamen.
Al in 1673 stuurde een aantal ingezetenen van de Zijpe een verzoekschrift aan stadhouder Willem III
om de bestuurszetel van hun polder binnen de Zijpe te krijgen. En dus weg uit het Alkmaarse
stadhuis. Tevergeefs.
Maar in de loop van de 18e eeuw hadden meerdere bestuurders van de Zijpe geen buiten meer in de
polder en men wilde er wel geregeld vergaderen. Dus moest er een geschikte lokatie komen, ook om te
kunnen dineren en overnachten.
De Koepel in Schagerbrug
In 1784/85 boog een commissie - die waren er ook toen al - zich over deze kwestie. Johan baron du
Tour (heemraad sinds 1770), mr Hendrik Rijser (hoofdingeland vanaf 1770), mr Lucas Dijl (heemraad
sinds 1771) en dijkgraaf mr W.J. Kloeck kwamen met een rapport in de jaarlijkse Algemene Vergadering
van 1785. Aan de noordzijde van de herberg Het Wapen van de Zijpe in Schagerbrug kon voor 2850
gulden een aanbouw gemaakt worden. Met inventaris en andere zaken kwamen de kosten op 3600 gulden.
De leden van het Dagelijks Bestuur van de polder zouden ieder jaarlijks 2 dukaten van hun vergoeding
bijdragen, 17 jaar lang. Eigenaresse Agatha Cortijn (41-jarige weduwe van H.J. Zanegeest) van Het
Wapen van de Zijpe zou 16 jaar lang jaarlijks 150 gulden en ten slotte een jaar 100 gulden
bijdragen. Totaal 2500 gulden. De aanbouw werd eigendom van de herbergierster of haar zoon Jacob.
'Het vertrek [de Koepel] is voornamelijk gedestineerd [bestemd] tot de vergaderingen, en ten
gebruike van de Heeren [bestuurders] van de Zijpe en Hazepolder'. Ze konden er ook dineren en
logeren. Op enig moment tussen 1785 en 1800 werd de Koepel verlengd met een stal [voor de rijtuigen
en de paarden van de heren] met hotelkamers erboven.
In 1800 bij de verkoop van het etablissement aan A.C. van Zuijlen werd het omschreven als: 'Een huis
en erf, koepelkamer, stal, boet en kolfbaan zijnde een logement en herberg genaamd Het Wapen van de
Zijpe'. Gezien de financieringsconstructie zal vooral het Dagelijks Bestuur geregeld van deze
faciliteiten gebruik gemaakt hebben.
In 1898, bij de grote brand van Schagerbrug [zie dat venster], ging ook De Koepel verloren, maar al
spoedig volgde herbouw.
Bronnen: