Seinbemaling bij de Schermer boezem

Voor de seingeving in de Schermer boezem was een ingenieus systeem uitgewerkt. Het was aan de molenaar van de hoofdseinmolen om vast te stellen of het water van de boezem het maalpeil had bereikt. Was dat het geval, dan moest hij meteen het stopsein geven. Overdag moest dat gebeuren door een blauwe vlag in de top van de molenroede te hijsen en ‘s nachts door middel van een lantaarn met drie kaarsen. Via een zestal districten zou het stopsein worden doorgegeven van de ene naar de andere molen tot in de verste uithoeken van de Schermerboezem. Elke molenaar zou te horen krijgen naar welke seinmolen hij moest kijken. Verscheen daar de vlag of de lantaarn in de wieken, dan moest hij zijn molen stil zetten.

Was het water bij de hoofdseinmolen beneden AP (bij het ingaan van het systeem was er nog sprake van het AP, het Amsterdams Peil, dat het NAP voorafging) gezakt, dan werd door de molenaar het maalsein gegeven en mochten de molens overal in het Noorderkwartier weer in hef gemaal komen. In de eerste jaren van de peilmaling werd de vlag weer uit de wieken gehaald als het sein in het gehele gebied was doorgegeven en overal de molens tot stilstand waren gekomen. Als de vlag dan weer opnieuw omhoog ging, dan was dat het maalsein en mochten de molens weer in het werk worden gebracht.

In 1934 werd deze regeling gewijzigd. De vlag bleef toen in de wieken zolang er niet gemalen mocht worden.

Seinlantaarn

Seinlantaarn

 

Het stopsein werd ‘s nachts
gegeven door een lantaarn
met brandende kaarsen
in de top van de molenroede
te hijsen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *